Twee maanden

Ik heb het twee maanden volgehouden.

Het NIET iedere dag bloggen.

De rek was er uit. Ik had al zo vaak mij hart uitgestort op mijn blog, dat ik het nee-niet-weer-hè-gevoel kreeg.

Ik wilde mijn blog gaan gebruiken om mijn theater te gaan verkopen, en dat zorgde er voor dat ik toch een beetje het publiek-over-mijn-schouder-gevoel kreeg.

Dat nee-niet-weer-hè-gevoel en het publiek-over-mijn-schouder gevoel deden mij een kloek besluit nemen.

Eén keer per week bloggen. Geen meningen meer. (Oja, ik had ook het het-web-staat-te-vol-met-meningen-dus-wat-moet-ik-daar-nu-nog-tussen-gevoel). Maar elke week een mooi verhaal. Tijd om te schrappen en te schaven.

Ik heb het twee maanden volgehouden.

Want ik miste het aankeutelen. Het losse flodderen.

Daarom heb ik deze plek gemaakt. Hier ga ik elke dag lekker aankloten. Of niet elke dag. Want aankloten is per slot van rekening aankloten.

Je bent van harte welkom hier.

Maar ik ga op geen enkele manier rekening met je houden. Volgen is dus voor eigen rekening.

Op mijn andere blog blijf ik gewoon elke week een mooi verhaal schrijven.

Want dat was een goed plan.

 

 

Leuk! (in gebarentaal)

erik
Erik en mevrouw Hufnägel in mijn theatervoorstelling
foto: Agnes Swart

 

Erik was doof. School was de enige plek waar hij zich echt thuis voelde.

Niet dat hij alle vakken even fijn vond, maar er werd gebarentaal gebruikt. Op school kon hij zich tenminste uitdrukken. Daar voelde hij zich niet zo onmachtig als thuis, of bij Zicht op Zee, de verzorgingsflat waar hij als taakstraf moest afwassen.

Hij voelde zich kleiner worden, als hij, na schooltijd, naar Zicht op Zee fietste.

De eerste dag was goed. Er was een tolk aanwezig.
“Wat leuk, die gebaren!”,  had mevrouw Hufnägel, de manager, geroepen.
Het was inderdaad fijn, want nu kon hij gelijkwaardig communiceren. Maar zoals vaker gebeurde, verpestte zijn uitstekende spraakafzien de boel. Toen ze doorhad dat hij zonder tolk, toch veel mee kreeg, besliste mevrouw Hufnägel meteen dat het voortaan wel zonder kon. Wij redden dat samen wel hè, Erik?

Zucht.

Elke keer als hij binnenkwam werd hij bedolven onder de goede intenties van Mevrouw Hufnägel. Hij wist niet wat erger was: die overdreven aandacht van mevrouw Hufnagel, of de nonchalance waarmee zijn familie er van uit ging dat hij alles mee kreeg (was dat wel zo? of kon het ze thuis niet eens schelen óf hij wel wat mee kreeg?).

Hoe leg je iemand uit dat overdreven articuleren net zo onleesbaar is als mompelen? Ze bedoelde het goed, maar ze was ook erg betuttelend. En er was iets plastics aan haar enthousiasme. Alles was “leuk”! Haar interesse in hem voelde onecht aan. Kwam het doordat ze steeds weer opnieuw dezelfde gebaren wilde leren? Als ze echt geïnteresseerd was, had ze ze onthouden. Toch?

Misschien voelde hij zich daarom een beetje minder schuldig over wat hij had gedaan had.

Mevrouw Hufnagel had hem gevraagd naar een gebaar dat hij gemaakt had, in zijn gesprek met de tolk. Het gebaar was “leuk”. Niet een gebaar dat hij hier veel nodig zou hebben, trouwens. Ze had het proberen na te doen, en ze vertelde opgetogen dat het zo leuk was dat een gebaar dat ze leuk vond, ook ‘leuk’ betekende.

Het gebaar werd gemaakt met de handpalm naar boven, duim en wijsvinger tegen elkaar aan, andere drie vingers dicht. Dan de hand naar beneden bewegen, alsof je een blaadje uit de boom plukt.

Mevrouw Hufnagel deed het fout. Ze gebruikte twee vingers. En Erik had haar, in een opwelling, “verbeterd”. Hij deed de wijsvinger naar beneden, zodat alleen de middelvinger omhoog bleef staan.

Mevrouw Hüfnagel keek verbaasd, en Erik, die met moeite zijn gezicht in de plooi hield, knikte serieus: dat was het gebaar voor leuk. Mevrouw Hufnägel geloofde hem, want volgens haar schuilde er geen kwaad in deze stakker van een jongen.

En het was ook leuk. Vreselijk banaal, en vreselijk leuk. Vooral omdat Erik wist dat mevrouw Hufnägel het leuk vond om haar kennis van gebarentaal aan de leden van het management team te laten zien.

 

(De verhalen op dit blog, die te maken hebben met mijn theater zijn ‘backgroundstory’ en geen spoilers voor mijn theater)

 

Emma

Emma
Foto uit mijn theatervoorstelling
gemaakt door Agnes Swart

Judith is mijn enige vriendin, en de fietstocht naar school en terug is het enige dat we samen hebben. En dat alleen omdat niemand anders uit ons dorp naar het Hartveldt College gaat. Ja Karin, maar dat is een brugger. En de jongens, maar die fietsen met elkaar.

Die smalle strook aarde tussen ons dorp en de school wordt gevuld met zwijgen, of gesprekken over huiswerk; mijn muziek is de hare niet. En haar muziek … nou ja, ze heeft geen eigen muziek.

Judith is meer alibi dan vriendin, een remedie tegen embarrassing moments, als er tweetallen gevormd moeten worden op school; al zou zij liever een populairder meisje willen.  Tegen de tijd dat ze dat voor elkaar krijgt, moet ik zien te regelen dat ik alleen mag werken. Ik heb zo langzamerhand de status bereikt waarmee dat kan: beetje vreemd, maar normaal genoeg om niet gepest te worden. Alleen die blikken, daar kan ik nooit echt aan wennen.

De laatste kilometers naar huis zijn voor mij alleen. Het huis ook, want mijn ouders zijn vaak laat. Ik draai de volumeknop van de oude versterker van mijn vader open. Die versterker met boxen kreeg ik toen ik nog zijn kleine meid was. Daarmee werd die periode afgesloten. Ik zag het aan zijn gezicht, toen bleek dat ik zijn muziek er niet bij hoefde te hebben.

Ik kijk naar mijn ezel die al weken leeg staat, en wilde dat ik weer kon schilderen.

Mijn moeder komt boven vragen of de muziek zachter kan, en of ik mee help de boodschappen uit de auto te laden. Ze vraagt hoe het was op school. Ze doet geen moeite om meer uit me te krijgen dan het standaard “gewoon”. Ik denk dat ze het niet echt wil weten. En ze heeft gelijk, ze heeft er niets aan om echt te weten hoe het gaat. Het is iets dat ik zelf graag vergeet.

Mijn vader komt pas thuis als het eten al op tafel staat. Hij begint weer over zijn werk. Meestal gaat het over wat anderen fout doen. Vandaag is hij opgewonden over een kans die hij krijgt. Gelukkig, want daardoor vergeet hij te vragen naar mijn dag. Hij kan vaak zo doordrammen. Mijn moeder weet tenminste dat het antwoord er niet beter op wordt. Mijn vader blijft door hengelen tot hij iets positiefs omhoog heeft gehaald, iets dat hem gerust kan stellen. Ik bewaar altijd een paar goede cijfers voor zo’n moment.

Ik ga weer naar mijn kamer en zet mijn muziek aan. Ik let op dat het net niet te te hardstaat, dat roept weer vragen op. Vragen die ze niet zouden hoeven stellen als ze naar de songteksten van mijn muziek zouden luisteren. Hoe kan het dat songwriters, die niet eens van mijn bestaan afweten, mij beter begrijpen dan mijn eigen ouders?

Nu pas besef ik dat het standaard antwoord dat ik mijn ouders geef, het beste antwoord is dat ze ooit kunnen krijgen. Het beschrijft akelig precies mijn schoolleven. Gewoon.  En zo gaat het maar door.

 

Emma is een van de hoofdpersonen uit mijn theater

 

 

zonder vonkenvanger

Soms zit je middenin een zware bui
en als het dan geen zomer is
of op zijn minst een beetje lente
dan schudt zo’n bui zo lastig af
en is blijmoedig ondergaan
laat staan genieten
geen handomdraai
en ook geen twee

Vooral als je met je stomme kop
te veel weet
(die grote blauwe veeg
op buienradar hebt gezien
die langzaam
en precies in de lengte
over jouw stukje Nederland trekt)

Een lelijk weten afschudden
is namelijk nóg lastiger
zelfs als je weet
dat het weten
je voor de gek houdt
want misschien ook niet

Dan
als je het helemaal bent vergeten
dan
is het tijd voor dat andere weten
en als het hapert
verzin je eerst maar wat
dat die wolk van boven gezien
zacht donzend mooi is, bijvoorbeeld
en als je daar te nat voor bent
dat kan zo maar
verzinnen, heeft een vonk nodig
luister dan naar verhalen
want binnenin een goed verhaal
zit een knapperende haard

 

respect is een cadeau

Een anti-spijbeltraining moest ze krijgen, maar ík was het die leerde.

Alweer.

Na Natka¹, wéér een puber die mijn ogen opende.

Özlem was een vlotte Turkse meid. Strakke spijkerbroek, flitsend jasje, los haar.

Ze woonde met haar moeder en haar kleine broertje in een flat in een grote stad. Haar vader was gestorven, haar grote broer was er nooit.

Er kwam wel allerlei volk over de vloer, want het kleine broertje had leerproblemen én gedragsproblemen. Özlem probeerde haar moeder zo veel mogelijk te helpen, maar ook zij snapte niet veel van alle adviezen.

Ze spijbelde omdat het leven zo veel aandacht vroeg. En soms omdat er geen geld was voor een strippenkaart. Özlem mocht niet alleen fietsen als het donker was.

Op een keer kwam ze binnen met hoofddoek. Ook haar kledingstijl was wat degelijker.

Ze zag me kijken, en legde uit:

“Mijn moeder is deze zomer in Turkije getrouwd. Mijn nieuwe vader is net aangekomen in Nederland. Hij vind het prettiger als ik een hoofddoek draag.”

“En jijzelf?”, vroeg ik.

Ik kreeg een geïrriteerde zucht. Ze rolde nog net niet met haar ogen, en toen zei ze:
“Ik doe dit voor mijn vader. Logisch toch? Mijn moeder heeft  voor hem gekozen. Hij is nu mijn vader en hij krijgt mijn respect. Ik snap Hollandse kinderen niet. Het lijkt wel of hun ouders dat respect moeten verdienen, elke dag weer. En bij het minst of geringste is het ook weer weg.”

“En weet je, het hoeft misschien niet heel lang. Mijn vader was in Turkije gewend aan meisjes zonder hoofddoek. Maar hier is hij nieuw, moet hij wennen. Ik wil aan iedereen laten zien dat ik hem respecteer, en dat doe ik zo.”

Van Özlem, die op haar school hard moest werken voor een beetje respect, leerde ik die dag dat respect een cadeau is dat je kunt geven.

Wat me nu nog het meest bij blijft is de onvoorwaardelijkheid waarmee ze het gaf.

¹ Natka is één van de hoofdpersonen uit mijn theater.

Het inwerken van het nieuwe jaar

zondruppel

Dacht je nou echt dat het nieuwe jaar op 1 januari begon?

Welnee. Een jaar kan toch niet goed van start gaan zonder goede voorbereiding? Daarom neemt een oud jaar, aan het eind van zijn leven, het nieuwe mee, om te laten zien wat daar allemaal bij komt kijken, bij een jaar.

Op 1 januari heeft het jonge jaar al een hele inwerkperiode achter de rug.

“Gaaf!”, riep het enthousiaste jonge jaar: “dus we gaan nu de grote dingen zien?”

“De belangrijke dingen, had ik gezegd, en dat zijn lang niet altijd de grote dingen”. Het oude jaar liet de weerspiegeling van de zon in een regendruppel zien, de jongen die met zijn hond speelde, de vader die een kus plakte op een zere knie, de moeder die samen met haar zoon zijn nieuwe kamer witte, maar ook de man die ondanks de stortregen roerloos op een bank in het park zat.”

“Zijn er dan geen grote dingen, die belangrijk zijn?”, vroeg het jonge jaar.
Het oude jaar keek, met een eindeloos trieste blik in zijn ogen, het jonge jaar aan, aaide het teder, en liet toen, zonder iets te zeggen, de vluchtelingenkampen zien, en de rampgebieden.

“Deze mensen kunnen niet eens in jaren denken”, zei het oude jaar: “ze kunnen niet verder kijken dan de volgende dag. Toch kun je ze nabij zijn, de mensen die geplaagd worden door tegenslag. Wees nabij, ook voor de mensen die afstand van je willen nemen, die zeggen dat je hun jaar niet bent. Wees zachtmoedig. Je hebt geen schuld, je bent geen veroorzaker, maar je kunt het je wel aantrekken. Deze mensen hebben een zware last. Help ze om die te dragen.”

“Ook voor de mooie dingen is het belangrijk dat je onthoudt dat je ondersteunend bent, aan dat wat gebeurt. Nogmaals, je bent geen veroorzaker. Je bent . . .”, het oude jaar viel stil, en keek peinzend voor zich uit. Toen keek het oude jaar, het jonge jaar in de ogen, en zei: “Je bent.    . . . prachtig. . . Laten we het daar op houden.”

“Wat je verder moet weten, is dat een hoop mensen jou gaan claimen als hun jaar. Laat ze. Je bent groot genoeg voor iedereen. Het geeft ze hoop, en dat is een mooi cadeau.”

“En dan zijn er de goede voornemens. Je hebt misschien wel gehoord dat de oudere jaren daar wat denigrerend over doen, en toegegeven, de meeste voornemens zullen vergeten zijn voor jij uit de luiers bent, en toch, geef ze het voordeel van de twijfel, is mijn advies. Ik heb dat stom genoeg niet gedaan, en ben verrast door mensen die het me vervolgens stevig inwreven. Good for them. Mooier is het, om door je vertrouwen te geven, deel uit te maken van die successen.”

“Jij zult ook het gemopper over je heen krijgen. Wacht maar als de sneeuw valt, of als die juist niet valt, als er geen-, of te weinig ijs ligt, als de eerste warme dag te lang op zich laten wachten, als de zomer te koud is, of te warm. Laat het van je afglijden. Elk jaar krijgt dit over zich heen.”

“Trek je niets aan van de stickers die op je geplakt gaan worden. Dat is wat mensen graag doen. Laat ze. Wij jaren staan daar buiten. Wat uiteindelijk telt zijn de persoonlijke herinneringen die de mensen aan je hebben.”

“En als laatste belangrijke waarschuwing: Pas op met alle verwachtingen die ze aan je ophangen, als jassen aan een kapstok. Schud ze los, anders bezwijk je. Jij bent er niet voor om de verwachtingen van anderen uit te laten komen. Dat moeten ze zelf doen, en diep in hun hart weten ze dat. Jij bent … Nou ja, jij bent prachtig”

Je rol is om er te zijn, en alles te delen. Alle vreugde en alle verdriet. Wees een klankkast, resoneer.

Het oude jaar gaf het jonge jaar een dikke kus, en zei: “Je bent er nooit echt helemaal klaar voor, maar je kunt het. Mocht je dat ooit vergeten, onthoud dan dat ik het je gezegd heb, en ik kan het weten.”

Toen ging het oude jaar, en het nam alle kostbare herinneringen in zijn hart om ze daar te koesteren.

 

Een natte kerst

goed

 

“Ik ben te dichterlijk om te dichten”
schreef ik als puber ooit.

En nu voelt het weer zo. Te veel verteller om een verhaal te maken.

Ik houd van verhalen maken. Verhalen maken is de werkelijkheid kleien. Ik heb geen alleenrecht op die werkelijkheid, maar ik kan er wel een beeld van kneden, als één van de vele weerspiegelingen ervan .

Maar niet nu.

Als ik vertel, vertel ik over wat er is. Verpakt in vele vormen, maar altijd: wat er is.

En wat er nu is, laat zich niet kneden.

Ik zou zo graag een kerstverhaal vertellen over verlossing.

Laat nu net de verlossing er uit bestaan dat ik leer om te accepteren wat er is. (Ja, alweer, dat is een les die steeds terug komt, en steeds dieper gaat).

Geen trompetgeschal, geen jubel. Maar plaats maken voor verdriet.

Zodra ik daar woorden voor vind, is het weer weg.

Dat ruimte voor verdriet, ook ruimte schept voor vreugde, is een weten. Fijn om over te verhalen, maar niet iets dat ik nu al kan voelen. Dus laat ik het.

Een volgende keer ga ik weer op zoek naar een mooie vorm, om het leven in te gieten.

Nu laat ik mijn gevoel, mijn gevoel zijn, en tranen mogen stromen, het is toch een natte kerst dit jaar.

 

En dat verhaal dat hier zou staan, dat verhaal waarin een man, die nooit vermoed had dat er zo veel verdriet in zijn lijf zat, op kerstdag, door een banaal voorval, de mogelijkheid kreeg om bij de meest onwaarschijnlijke persoon (iemand die hij bestempeld had als harteloos, en jij als lezer zou door mij gemanipuleerd zijn om het daar helemaal mee eens te zijn ), om bij juist bij die persoon dus, de ruimte te krijgen om dat verdriet te laten gaan, dat verhaal, waarin je kon lezen dat onbestemd verdriet, opgespaard verdriet is, en van alle verdriet het meest desolaat, dat verhaal, dat kun je ook zelf wel bedenken, net zoals jij ook wel weet dat de mensen die jij ergens mee bestempeld hebt, heel anders zijn, als je ze echt leert kennen (daar heb je niet eens een kerstverhaal voor nodig, toch?)

 

Ik maak theater, zie hier.

 

De man die niet kon voelen

slap

Er was eens een man die niet kon voelen.

Toen hij er eindelijk achter kwam, dat dit een gemis was, ging hij naar een psychiater om het te leren.

Hij leerde zich een slag in de rondte, en eindelijk snapte hij het. Het was ook niet zo moeilijk, als hij dacht. Hij praatte graag met anderen over zijn gevoel. Hij kon dat ook goed.

Zo werd hij een expert in voelen. Hij ging er zelfs les in geven. Overal uit het land kwamen mensen naar zijn lessen. Hij schreef een boek, en werd een naam in gevoelsland, een gevoelsgoeroe.

Jammer dat zijn buren dat allemaal niet konden snappen. Dat waren een beetje gevoelsarme mensen, die een veel te grote TV hadden en geen boeken lazen.

Toen er bij de buren een levensgroot verdriet was,  ging hij er meteen naar toe, om ze te steunen. Hij kende ze wel niet goed, maar laten zien dat hij ze begreep, en adviezen geven, om ze te helpen deze moeilijke periode door te komen, was wel het minste wat hij kon doen.

Op weg naar huis kwam hij de andere buurman tegen, die met een sixpack bier op weg was naar het bedroefde stel.
“Ik denk niet dat het wegdrinken van problemen ze gaat helpen”, zei de gevoelsgoeroe met een blik op het sixpack. De buurman aarzelde niet, en gaf hem een enorme klap in zijn gezicht.

Toen pas ontdekte de gevoelsgoeroe dat voelen niet iets is dat je met je hoofd kon leren.

 

 

 

De kracht van de knuffel

DSCN1095

 

“Je krijgt morgen een pop op je verjaardag”, Jacobs broer keek hem uitdagend aan. Zijn schrik verdween meteen weer, toen Jacob die blik zag, het was dus een grapje.
“Ha, die gooi ik toch weg!” zei hij stoer.
“Dat zou ik heel jammer vinden, want we hebben hem zorgvuldig uitgezocht”, Jacobs vader deed vaak net alsof hij sliep, in zijn lekkere stoel, maar hij hoorde altijd alles. Dat merkte je nu weer, aan zijn opmerking. Vader maakte vaker grapjes, dus Jacob was niet ongerust.

Dat werd hij wel toen zijn moeder er zich mee bemoeide: “Je vindt het vast een leuke pop.”
Zijn moeder was juist helemaal géén grapjesmaker. Hij had een hou-die-arme-jongen-niet-zo-voor-de-gek opmerking verwacht. Hij zou toch niet écht . . .

Die nacht sliep hij slecht, en die ochtend kreeg hij zijn pop. En wat was hij er, tegen alle verwachting in, blij mee. Want het was een poppenkastpop. Als onderdeel van een echte poppenkast, die zijn vader helemaal zelf getimmerd had. Een pop en toch geen pop.

En toch ook weer wel een pop.

Want de pop, een varken, werd zijn knuffeldier. Liefde zit op onverwachte plekken.

Ze waren onafscheidelijk, Jacob en zijn knuffel. Woordeloos hadden ze mooie gesprekken. Zijn knuffel begreep hem zoals niemand anders dat kon. Hij hoefde hem maar aan te kijken, en hij kon alles lezen in die blik. Altijd was er vertrouwen te lezen, en troost.

De knuffel bleef in zijn bed tot hij op kamers ging. Dat was toch echt een moment van afscheid. De knuffel bleef alleen achter in zijn ouderlijk huis, en het voelde als verraad.

Toen kwam de grote mensen wereld en zo, en hij vergat zijn knuffel.

De troost was nu niet meer zo dichtbij. Hij had die troost zo nodig, omdat hij vaak afkeurende blikken kreeg, terwijl hij toch zo’n vreselijke best deed om zich aan te passen.

Later, toen de pop al lang gestorven was, vervilt, vergaan, besefte hij dat hij zijn ziel in de knuffel gelegd had. Zijn eigen ziel. Met dat besef kwam de troost weer terug. Als een diepe innerlijke stem.

“Psst”, zei de stem: “Weet je die blik van je knuffel nog? Waar je alles in kon zien? Dat was jij, die het er in kon leggen. Jouw eigen vertrouwen. Die kracht heb je, dat weet je nu. Waarom zie je al die afkeurende blikken? Waar denk je dat die vandaan komen? Jij, die van alles gelezen hebt over projectie. Heb je dan nooit de kracht ervan ervaren?”

Hij wist het nu, en toch . . .

“Maar wat nu als ik leeg ben?”, vroeg Jacob: “Als ik alleen nog het donker in mezelf kan zien? Die buien blijven komen. En de projectie smijt ze als boomerangs naar buiten.”

“Je moet niet al die zelf-hulp boeken geloven die zeggen dat je het alleen kunt doen”, zei de stem: “Want dan denk jij, dat je het ook alleen móet doen. En dat is dom. Waar heb je anders nog vrienden voor? Zij zijn het, die je vuurtje weer aan kunnen blazen, als het bijna uit is.”

 

De stem van knorrepoet werd mijn interne fan.

 

Zijn of doen

Mijn moeder kon niet stil zitten. Als ze niet aan het werk was, was ze bezig met huishouden, en als ze een moment voor zichzelf had, was ze aan het werk, in de tuin.

Of ze moest even iets doen, voor iemand. Ze was lerares. Ze deed alles voor haar leerlingen, en het leek alsof de hele wereld haar leerling was.

Mijn moeder bleef tot het eind toe druk. Mijn vader had Parkinson, werd zieker en zieker, en er was steeds meer te doen.

Moet ik je overeind helpen?
Wil je even lopen?
Wil je anders zitten?
Moet ik de kachel lager zetten?
Moet ik de kachel hoger zetten?
Wil je even liggen?
Zal ik je jasje aan doen?
Lust je nog iets?

Maar alle doen van de wereld kon zijn lasten niet wegnemen.

De maatschappelijk werkster, die na veel aandringen van iedereen, vooruit dan maar, voor één keer, langs mocht komen, vertelde dat ze er alleen maar hoefde te zijn voor hem.  Dat dat genoeg was.

Niet doen, maar zijn.

Mijn moeder haalde een keer diep adem. Liet het tot haar doordringen. Eigenlijk wist ze dat ook wel. Ze zuchtte nog een keer, keek de maatschappelijk werkster aan en zei:

“Dus ik moet zijn.”

De maatschappelijk werkster knikte. Blij dat mijn moeder het eindelijk begreep. En toen vroeg mijn moeder:

“Maar hoe doe je dat? ¨