Emma’s vader

NS4A6901

 

Mijn vader is er zo eentje die naar boven komt en op mijn deur klopt als we ruzie gehad hebben.

Hij heeft dan geen geduld, en wil het meteen uitpraten.

En dat is nu juist het probleem.

Ten eerste wil ik even niet praten.
Ten tweede gaat het altijd over hem, en over wat hij voelt.

Hij bedoelt het best goed hoor, maar dan gaat ie weer zeggen dat ik zo op hem lijk.

In het begin zei hij dat op een manier alsof hij me daar een plezier mee deed, maar na mijn laatste uitval, is hij voorzichtiger geworden. Hij trekt er tegenwoordig een gezicht bij alsof het hem spijt dat hij mij erfelijk belast heeft. Hij snapt niet dat dat ook niet echt een compliment is.

Kijk, ík ben onzeker, maar ik ben een puber. Het is een beetje vervelend dat mijn vader ook onzeker is. En heel erg gênant dat hij dat vooral naar mij toe is.

Ik kan niet gewoon een keer sacherijnig zijn, zonder dat hij daar meteen wat achter zoekt.

Maar laatst had hij het zo maar een keer door. Ik zag het aan zijn geschrokken blik. Dat hij eindelijk écht luisterde naar wat ik wilde vertellen.

Het vervelende is dat ik, juist toen, helemaal op slot schoot.

Ik heb een plant in mijn kamer, een avocado-pit die ik op probeer te kweken. Ik ben alleen een beetje slordig, en vergeet hem vaak water te geven. Afgelopen zomer had ik te lang gewacht. Het water uit de gieter werd niet opgenomen door de droge harde aarde, en stroomde de pot uit, de vensterbank over.

Zo voelde ik mij toen. Te hard om iets te laten binnen komen.

Ik heb die avocado nog kunnen redden door hem een tijd ondergedompeld in een bak water te laten staan.

Natka is mijn bak water.

Ik hoop dat mama dat voor mijn vader kan zijn.

 

Emma is een fictief karakter uit mijn theatervoorstelling.

 

(en de vader ben ik)

Hier staan de andere achtergrondverhalen

angst

lucht2a

 

Peter bracht het leidsel langzaam naar de kop van het grote dier. Zijn handen trilden.
“Als je bang bent, kunnen ze dat voelen”, dacht hij. Hij wilde dat hij het nooit had gehoord. Hij kreeg die wetenschap niet meer uit zijn hoofd, hoe hij het ook probeerde. Hij liet het leidsel weer zakken.

“Bluffen”, zou Karl zeggen, “als je jezelf voor de gek kunt houden, kun je het beest ook voor de gek houden”. Karl had die eerste keer gelijk gehad, maar Peter twijfelde of dat nu ook zou werken.

Peter dacht terug naar het moment dat hij voor het eerst geweten had dat hij drakenrijder wilde worden.

Zijn vader had hem als kleine jongen meegenomen naar een drakenwedstrijd. Peter had alles goed willen zien, was bovenop de voorste hekken geklommen, was gevallen en in de kooi beland; de kooi van de wedstrijddraken, die door alle drukte om hen heen toch al niet in een best humeur waren.

Voor de ogen, van de in paniek toegesnelde vader, had de voorste draak zich naar het jongetje toegebogen. Tot ieders verbijstering, (ook die van Peters vader, hoewel die later zou verklaren dat hij altijd al had geweten dat zijn zoon een gave had voor omgang met draken), had de draak hem een zachte duw gegeven met zijn snuit, alsof hij hem overeind wilde helpen. De kleine Peter was geheel onbevreesd de kooi weer uitgeklommen.

Toen hij groter werd, oefende hij op de slome oude huisdraak, aangemoedigd door zijn vader, die het voorval als een teken had beschouwd.

Maar toen het moment daar was dat hij zijn eigen wedstrijddraak moest berijden, was hij nog weer ouder, en was de twijfel naar binnen geslopen. “Ze kunnen het voelen, als je bang bent”, had de stalmeester ooit een keer gezegd, en dat gonsde door zijn hoofd.

Bang voor draken was Peter niet, maar dat was zo’n beetje het enige waar hij niet bang voor was. Peter kon niet zo goed meekomen met de andere kinderen. Hij was niet sterk, zoals zijn broer Karl, en hij was zelfs niet eens erg slim. Zijn stunt in de kooi had hem voorbestemd als drakenrijder, en die status werd hem door zijn leeftijdgenoten niet in dank afgenomen. Peter was niet goed opgewassen tegen de pesterijen.

Als leerling drakenrijder voelde hij de druk groter worden. Veel leerling drakenrijders mislukten op het moment dat ze over gingen op de wilde wedstrijddraken. Wat nou als zijn draak straks zijn onzekerheid en angst kon voelen? Zou de draak weten dat het niet de angst voor hem was, maar juist de angst voor Peters eigen diersoort? Zou dat uitmaken? Hoe meer Peter probeerde zijn onzekerheid te onderdrukken, hoe meer hij voelde dat zijn draak daar iets van zou merken. En zo kreeg hij langzaam angst voor de draak zelf.

Hij had er zelfs over gedacht om te stoppen, om te bedanken voor de eer van drakenrijder. Misschien zouden ze hem dan ook niet meer pesten. Dan kon hij ongemerkt ergens een stalknecht worden, of zo. Was een rustig leven niet meer waard dan alle eer van de wereld?

Maar diep van binnen wist hij dat het hem helemaal niet om de eer ging. Die kon hem toch al gestolen worden. Hij wilde vliegen, op een wilde draak, en hij wilde daarmee zijn angsten beteugelen

Karl had hem daarmee geholpen. “Bluffen”, had die gezegd. “Als je zo goed bluft dat je er zelf in gelooft, gaat je draak daar in mee.”

Het had geholpen, en vanaf het eerste moment dat hij op de rug van zijn draak door de lucht vloog, was bluffen niet meer nodig. Peter was in zijn element.

Heerlijke vluchten had hij gemaakt. Hij was één met zijn draak. Alles stroomde, zoals de lucht die hij langs zijn wangen voelde glijden.

Beneden op de grond voelde hij de zwaarte van de angst weer drukken, maar boven in de lucht voelde hij zich altijd ongelofelijk licht.

Tot die ene vlucht.

Was het overmoed? Had hij zijn draak tot over de rand van zijn kunnen gedreven?

Peter wist het nu nog steeds niet, maar het was een wonder geweest dat hij, en zijn draak, de val hadden overleefd.

Peter had een jaar nodig gehad om weer op de been te komen. Hij had hard geoefend. Eerst met zijn oude huisdraak, om zijn spieren te wennen, en later met oefendraken van zijn oude school. Hij kon alles nog, maar het echte vuur, en het plezier dat daarbij hoorde was er uit.

Zijn draak was veel sneller opgeknapt van de val, maar had nooit meer een berijder toegestaan.

En nu stond Peter voor zijn draak. De oude angst was terug. Hoezeer hij ook terugdacht aan die prachtige vluchten, samen met zijn draak, de angst bleef, als een anker dat hem aan de grond wilde houden.

Zijn vader had hem aangeraden om de eerste vlucht met leidsel te proberen.

Daar stond hij, met het leidsel in zijn trillende handen. Tegenover de machtige draak. De schubben van het beest glansden, en de ogen zinderden. Het geluid van de ademhaling klonk als de stoot van een blaasbalg in het vuur van de smidse. Het rook naar teer en zweet. Zijn eigen zweet? Angstzweet?

Bluffen werkt niet, wist hij nu zeker. Hij wist niet waar het vandaan kwam, maar vanuit die plek kwam nu ook een andere wetenschap.

Met het leidsel nog in zijn ene hand, duwde Peter zijn andere, nog trillende hand tegen de kop van het dier.
“Hier!”, zei hij, “voel het. Dit is mijn angst. Voel het want het hoort bij mij.”
Er ging een rilling door het beest.
“Het is er, en er zal altijd een spoor van aanwezig blijven in mij. Soms zal het in al zijn hevigheid de kop op steken, maar ik beloof je dat ik me er niet meer door zal laten leiden.”

Peter gooide het leidsel op de grond en beklom zijn draak.

 

 

Hier kun je de aanloop op dit verhaal lezen.

 

mevrouw Draaier en de zorg

Draaier

De verzorgsters en verzorgers deden haar een beetje aan haar leerlingen van vroeger denken.

Ze waren zo jong. Ze zouden de kinderen van haar leerlingen kunnen zijn, nee wacht . . . ze moest even rekenen . . . ja, ze zouden zelfs de kleinkinderen van haar eerste leerlingen kunnen zijn. Makkelijk!

Mevrouw Draaier had haar huis vreselijk gemist die eerste maanden in de verzorgingsflat. Maar er had niets anders op gezeten na die beroerte. Haar spraak had ze met veel oefenen terug gekregen. Misschien was het feit dat haar lijf het niet overal meer deed, de prijs geweest voor die zwaarbevochten overwinning.

Mevrouw Draaier wist als geen ander dat het leven broos en brokkelig werd, en dat er stukjes af konden vallen.

De dood van haar man was het ergste geweest. Haar halve leven was uit haar borst gerukt, zonder verdoving. Pijn en leegte.

Toen de beroerte, bij zijn vertrek, toch stiekem een groot deel van haar zelfstandigheid, meegenomen bleek te hebben, was dat niet meer dan het volgende station geweest. Ze hoefde zich gelukkig niets meer van spoorboekjes aan te trekken, en ze reisde steeds lichter.

De meeste van haar boeken waren meegegaan naar de flat.  Ze lagen nu in hoge stapels onder handbereik, rond haar lekkere stoel bij het raam; tussen de tijdschriften en kranten waar ze nog steeds op geabonneerd was. Ze had moeten glimlachen toen haar dochter met een vies gezicht gezegd had dat het wel een studentenflat leek.

En nu had ze van haar kinderen een e-reader gekregen. Een klein wonder was dat. Haar kleinzoon had voorgerekend dat er zo veel boeken op konden, dat de stapel naast haar stoel 75 meter hoog zou zijn. Het was vooral een fijn ding omdat het zo lekker vast hield, met haar moeilijke handen.

De tijdschriften en kranten verdwenen, toen ze zelf een I-pad kocht. Maar de stapels boeken, bleven stapels boeken. Ze wilde gewoon af en toe nog even kunnen bladeren, vooral in haar geliefde kunstboeken, en ze hoefde niet overal afscheid van te nemen, toch?

De verzorgingsflat stond pal aan zee, en mevrouw Draaier woonde op de bovenste verdieping. Vanuit haar lekkere stoel, keek ze eindeloos ver de zee over.

Ze had het zo kwaad nog niet, met haar boeken, en haar zee met wolkenluchten, en vooral met haar kleinkinderen die af en toe, uit school, bij haar langs kwamen, voor thee met een koekje, en voor haar verhalen.

En ze kwamen waarschijnlijk ook omdat kleinkinderen opbloeien, en groeien, onder de ongeremde trots die alleen grootouders kunnen uitstralen.

Zoals vroeger ook haar leerlingen groeiden onder haar aandacht.

Af en toe kwam ze nog wel eens een oud leerling tegen, als ze naar buiten kon, met haar rolstoel. Dat waren altijd hartelijke ontmoetingen. Ze had veel voor ze betekend, dat wist ze. Lichter reizen betekende ook dat je ballast, zoals valse bescheidenheid, weg kon gooien, en de spijt over wat er minder goed ging.

Ze had haar verstand nog, ze had haar geheugen nog. Het leven was goed, erg goed.

En ze had haar boeken.

Vijfenzeventig meter. Wat een gekkigheid, wie krijg dat ooit uitgelezen?

Er was geen reden om te klagen. Ook niet als de zeer jonge schoonmaaksters soms geen idee hadden hoe ze moesten stoffen. Zelfs niet als ze weer eens lang moest wachten, als ze bijvoorbeeld op de WC werd achtergelaten.

Ze leken zo op haar vroegere leerlingen. En ze deden zo hun best.

Dat betekende niet dat ze er niks van zei. Aan de schoonmaaksters kon ze nog wat leren, en het leuke was, ze namen het graag van haar aan.

Aan de verzorgsters kon ze ook nog wel wat leren. Bijvoorbeeld, dat ze best sorry mochten zeggen, maar dat ze zich niet moesten verontschuldigen. Dat verschil moest ze altijd uitleggen.

“Lief meisje, ik weet dat je er niks aan kunt doen. En ik weet ook dat je het vervelend vind. Je gezicht en je sorry zeggen genoeg. Maar ga niet aan me uitleggen hoe het komt dat je later bent. Dat doet daar alleen maar afbreuk aan.”

“Waarom leren ze dat soort dingen nou niet op de opleiding?” vroeg ze zich wel eens af, “en vooral: waarom krijgen ze niet meer steun van hun leidinggevenden en van het management?”
Ze keek naar buiten, de zee over, en dacht weer: “Ze werken zich drie keer in de rondte, en ze leven zo op als ze zien dat ik daar dankbaar voor ben. Ik ben het ook, en ik laat het graag zien. Maar waarom krijgen ze die trots niet mee vanuit hun eigen organisatie? Dat management zou eens bij me langs moeten komen, dan zou ik ze als oud-lerares nog wat kunnen leren over aanmoediging en groei.”

 

Mevrouw Draaier is een van de karakters uit mijn theatervoorstelling. Dit is haar achtergrond.

 

voorgelezen worden?

Leuk! (in gebarentaal)

erik
Erik en mevrouw Hufnägel in mijn theatervoorstelling
foto: Agnes Swart

 

Erik was doof. School was de enige plek waar hij zich echt thuis voelde.

Niet dat hij alle vakken even fijn vond, maar er werd gebarentaal gebruikt. Op school kon hij zich tenminste uitdrukken. Daar voelde hij zich niet zo onmachtig als thuis, of bij Zicht op Zee, de verzorgingsflat waar hij als taakstraf moest afwassen.

Hij voelde zich kleiner worden, als hij, na schooltijd, naar Zicht op Zee fietste.

De eerste dag was goed. Er was een tolk aanwezig.
“Wat leuk, die gebaren!”,  had mevrouw Hufnägel, de manager, geroepen.
Het was inderdaad fijn, want nu kon hij gelijkwaardig communiceren. Maar zoals vaker gebeurde, verpestte zijn uitstekende spraakafzien de boel. Toen ze doorhad dat hij zonder tolk, toch veel mee kreeg, besliste mevrouw Hufnägel meteen dat het voortaan wel zonder kon. Wij redden dat samen wel hè, Erik?

Zucht.

Elke keer als hij binnenkwam werd hij bedolven onder de goede intenties van Mevrouw Hufnägel. Hij wist niet wat erger was: die overdreven aandacht van mevrouw Hufnagel, of de nonchalance waarmee zijn familie er van uit ging dat hij alles mee kreeg (was dat wel zo? of kon het ze thuis niet eens schelen óf hij wel wat mee kreeg?).

Hoe leg je iemand uit dat overdreven articuleren net zo onleesbaar is als mompelen? Ze bedoelde het goed, maar ze was ook erg betuttelend. En er was iets plastics aan haar enthousiasme. Alles was “leuk”! Haar interesse in hem voelde onecht aan. Kwam het doordat ze steeds weer opnieuw dezelfde gebaren wilde leren? Als ze echt geïnteresseerd was, had ze ze onthouden. Toch?

Misschien voelde hij zich daarom een beetje minder schuldig over wat hij had gedaan had.

Mevrouw Hufnagel had hem gevraagd naar een gebaar dat hij gemaakt had, in zijn gesprek met de tolk. Het gebaar was “leuk”. Niet een gebaar dat hij hier veel nodig zou hebben, trouwens. Ze had het proberen na te doen, en ze vertelde opgetogen dat het zo leuk was dat een gebaar dat ze leuk vond, ook ‘leuk’ betekende.

Het gebaar werd gemaakt met de handpalm naar boven, duim en wijsvinger tegen elkaar aan, andere drie vingers dicht. Dan de hand naar beneden bewegen, alsof je een blaadje uit de boom plukt.

Mevrouw Hufnagel deed het fout. Ze gebruikte twee vingers. En Erik had haar, in een opwelling, “verbeterd”. Hij deed de wijsvinger naar beneden, zodat alleen de middelvinger omhoog bleef staan.

Mevrouw Hüfnagel keek verbaasd, en Erik, die met moeite zijn gezicht in de plooi hield, knikte serieus: dat was het gebaar voor leuk. Mevrouw Hufnägel geloofde hem, want volgens haar schuilde er geen kwaad in deze stakker van een jongen.

En het was ook leuk. Vreselijk banaal, en vreselijk leuk. Vooral omdat Erik wist dat mevrouw Hufnägel het leuk vond om haar kennis van gebarentaal aan de leden van het management team te laten zien.

 

(De verhalen op dit blog, die te maken hebben met mijn theater zijn ‘backgroundstory’ en geen spoilers voor mijn theater)

 

Emma

Emma
Foto uit mijn theatervoorstelling
gemaakt door Agnes Swart

Judith is mijn enige vriendin, en de fietstocht naar school en terug is het enige dat we samen hebben. En dat alleen omdat niemand anders uit ons dorp naar het Hartveldt College gaat. Ja Karin, maar dat is een brugger. En de jongens, maar die fietsen met elkaar.

Die smalle strook aarde tussen ons dorp en de school wordt gevuld met zwijgen, of gesprekken over huiswerk; mijn muziek is de hare niet. En haar muziek … nou ja, ze heeft geen eigen muziek.

Judith is meer alibi dan vriendin, een remedie tegen embarrassing moments, als er tweetallen gevormd moeten worden op school; al zou zij liever een populairder meisje willen.  Tegen de tijd dat ze dat voor elkaar krijgt, moet ik zien te regelen dat ik alleen mag werken. Ik heb zo langzamerhand de status bereikt waarmee dat kan: beetje vreemd, maar normaal genoeg om niet gepest te worden. Alleen die blikken, daar kan ik nooit echt aan wennen.

De laatste kilometers naar huis zijn voor mij alleen. Het huis ook, want mijn ouders zijn vaak laat. Ik draai de volumeknop van de oude versterker van mijn vader open. Die versterker met boxen kreeg ik toen ik nog zijn kleine meid was. Daarmee werd die periode afgesloten. Ik zag het aan zijn gezicht, toen bleek dat ik zijn muziek er niet bij hoefde te hebben.

Ik kijk naar mijn ezel die al weken leeg staat, en wilde dat ik weer kon schilderen.

Mijn moeder komt boven vragen of de muziek zachter kan, en of ik mee help de boodschappen uit de auto te laden. Ze vraagt hoe het was op school. Ze doet geen moeite om meer uit me te krijgen dan het standaard “gewoon”. Ik denk dat ze het niet echt wil weten. En ze heeft gelijk, ze heeft er niets aan om echt te weten hoe het gaat. Het is iets dat ik zelf graag vergeet.

Mijn vader komt pas thuis als het eten al op tafel staat. Hij begint weer over zijn werk. Meestal gaat het over wat anderen fout doen. Vandaag is hij opgewonden over een kans die hij krijgt. Gelukkig, want daardoor vergeet hij te vragen naar mijn dag. Hij kan vaak zo doordrammen. Mijn moeder weet tenminste dat het antwoord er niet beter op wordt. Mijn vader blijft door hengelen tot hij iets positiefs omhoog heeft gehaald, iets dat hem gerust kan stellen. Ik bewaar altijd een paar goede cijfers voor zo’n moment.

Ik ga weer naar mijn kamer en zet mijn muziek aan. Ik let op dat het net niet te te hardstaat, dat roept weer vragen op. Vragen die ze niet zouden hoeven stellen als ze naar de songteksten van mijn muziek zouden luisteren. Hoe kan het dat songwriters, die niet eens van mijn bestaan afweten, mij beter begrijpen dan mijn eigen ouders?

Nu pas besef ik dat het standaard antwoord dat ik mijn ouders geef, het beste antwoord is dat ze ooit kunnen krijgen. Het beschrijft akelig precies mijn schoolleven. Gewoon.  En zo gaat het maar door.

 

Emma is een van de hoofdpersonen uit mijn theater

 

 

respect is een cadeau

optreden in Kikker
foto: Agnes Swart

 

Een anti-spijbeltraining moest ze krijgen, maar ík was het die leerde.

Alweer.

Na Natka¹, wéér een puber die mijn ogen opende.

Özlem was een vlotte Turkse meid. Strakke spijkerbroek, flitsend jasje, los haar.

Ze woonde met haar moeder en haar kleine broertje in een flat in een grote stad. Haar vader was gestorven, haar grote broer was er nooit.

Er kwam wel allerlei volk over de vloer, want het kleine broertje had leerproblemen én gedragsproblemen. Özlem probeerde haar moeder zo veel mogelijk te helpen, maar ook zij snapte niet veel van alle adviezen.

Ze spijbelde omdat het leven zo veel aandacht vroeg. En soms omdat er geen geld was voor een strippenkaart. Özlem mocht niet alleen fietsen als het donker was.

Op een keer kwam ze binnen met hoofddoek. Ook haar kledingstijl was wat degelijker.

Ze zag me kijken, en legde uit:

“Mijn moeder is deze zomer in Turkije getrouwd. Mijn nieuwe vader is net aangekomen in Nederland. Hij vind het prettiger als ik een hoofddoek draag.”

“En jijzelf?”, vroeg ik.

Ik kreeg een geïrriteerde zucht. Ze rolde nog net niet met haar ogen, en toen zei ze:
“Ik doe dit voor mijn vader. Logisch toch? Mijn moeder heeft  voor hem gekozen. Hij is nu mijn vader en hij krijgt mijn respect. Ik snap Hollandse kinderen niet. Het lijkt wel of hun ouders dat respect moeten verdienen, elke dag weer. En bij het minst of geringste is het ook weer weg.”

“En weet je, het hoeft misschien niet heel lang. Mijn vader was in Turkije gewend aan meisjes zonder hoofddoek. Maar hier is hij nieuw, moet hij wennen. Ik wil aan iedereen laten zien dat ik hem respecteer, en dat doe ik zo.”

Van Özlem, die op haar school hard moest werken voor een beetje respect, leerde ik die dag dat respect een cadeau is dat je kunt geven.

Wat me nu nog het meest bij blijft is de onvoorwaardelijkheid waarmee ze het gaf.

 

¹ Natka is één van de hoofdpersonen uit mijn theater.

 

De man die niet kon voelen

slap

Er was eens een man die niet kon voelen.

Toen hij er eindelijk achter kwam, dat dit een gemis was, ging hij naar een psychiater om het te leren.

Hij leerde zich een slag in de rondte, en eindelijk snapte hij het. Het was ook niet zo moeilijk, als hij dacht. Hij praatte graag met anderen over zijn gevoel. Hij kon dat ook goed.

Zo werd hij een expert in voelen. Hij ging er zelfs les in geven. Overal uit het land kwamen mensen naar zijn lessen. Hij schreef een boek, en werd een naam in gevoelsland, een gevoelsgoeroe.

Jammer dat zijn buren dat allemaal niet konden snappen. Dat waren een beetje gevoelsarme mensen, die een veel te grote TV hadden en geen boeken lazen.

Toen er bij de buren een levensgroot verdriet was,  ging hij er meteen naar toe, om ze te steunen. Hij kende ze wel niet goed, maar laten zien dat hij ze begreep, en adviezen geven, om ze te helpen deze moeilijke periode door te komen, was wel het minste wat hij kon doen.

Op weg naar huis kwam hij de andere buurman tegen, die met een sixpack bier op weg was naar het bedroefde stel.
“Ik denk niet dat het wegdrinken van problemen ze gaat helpen”, zei de gevoelsgoeroe met een blik op het sixpack. De buurman aarzelde niet, en gaf hem een enorme klap in zijn gezicht.

Toen pas ontdekte de gevoelsgoeroe dat voelen niet iets is dat je met je hoofd kon leren.

 

 

 

De kracht van de knuffel

DSCN1095

 

“Je krijgt morgen een pop op je verjaardag”, Jacobs broer keek hem uitdagend aan. Zijn schrik verdween meteen weer, toen Jacob die blik zag, het was dus een grapje.
“Ha, die gooi ik toch weg!” zei hij stoer.
“Dat zou ik heel jammer vinden, want we hebben hem zorgvuldig uitgezocht”, Jacobs vader deed vaak net alsof hij sliep, in zijn lekkere stoel, maar hij hoorde altijd alles. Dat merkte je nu weer, aan zijn opmerking. Vader maakte vaker grapjes, dus Jacob was niet ongerust.

Dat werd hij wel toen zijn moeder er zich mee bemoeide: “Je vindt het vast een leuke pop.”
Zijn moeder was juist helemaal géén grapjesmaker. Hij had een hou-die-arme-jongen-niet-zo-voor-de-gek opmerking verwacht. Hij zou toch niet écht . . .

Die nacht sliep hij slecht, en die ochtend kreeg hij zijn pop. En wat was hij er, tegen alle verwachting in, blij mee. Want het was een poppenkastpop. Als onderdeel van een echte poppenkast, die zijn vader helemaal zelf getimmerd had. Een pop en toch geen pop.

En toch ook weer wel een pop.

Want de pop, een varken, werd zijn knuffeldier. Liefde zit op onverwachte plekken.

Ze waren onafscheidelijk, Jacob en zijn knuffel. Woordeloos hadden ze mooie gesprekken. Zijn knuffel begreep hem zoals niemand anders dat kon. Hij hoefde hem maar aan te kijken, en hij kon alles lezen in die blik. Altijd was er vertrouwen te lezen, en troost.

De knuffel bleef in zijn bed tot hij op kamers ging. Dat was toch echt een moment van afscheid. De knuffel bleef alleen achter in zijn ouderlijk huis, en het voelde als verraad.

Toen kwam de grote mensen wereld en zo, en hij vergat zijn knuffel.

De troost was nu niet meer zo dichtbij. Hij had die troost zo nodig, omdat hij vaak afkeurende blikken kreeg, terwijl hij toch zo’n vreselijke best deed om zich aan te passen.

Later, toen de pop al lang gestorven was, vervilt, vergaan, besefte hij dat hij zijn ziel in de knuffel gelegd had. Zijn eigen ziel. Met dat besef kwam de troost weer terug. Als een diepe innerlijke stem.

“Psst”, zei de stem: “Weet je die blik van je knuffel nog? Waar je alles in kon zien? Dat was jij, die het er in kon leggen. Jouw eigen vertrouwen. Die kracht heb je, dat weet je nu. Waarom zie je al die afkeurende blikken? Waar denk je dat die vandaan komen? Jij, die van alles gelezen hebt over projectie. Heb je dan nooit de kracht ervan ervaren?”

Hij wist het nu, en toch . . .

“Maar wat nu als ik leeg ben?”, vroeg Jacob: “Als ik alleen nog het donker in mezelf kan zien? Die buien blijven komen. En de projectie smijt ze als boomerangs naar buiten.”

“Je moet niet al die zelf-hulp boeken geloven die zeggen dat je het alleen kunt doen”, zei de stem: “Want dan denk jij, dat je het ook alleen móet doen. En dat is dom. Waar heb je anders nog vrienden voor? Zij zijn het, die je vuurtje weer aan kunnen blazen, als het bijna uit is.”

 

De stem van knorrepoet werd mijn interne fan.

 

Zijn of doen

 

Ik kan niet niks doen.

Ik doe het wel, niks. Ik ben tamelijk lui, dus ik doe veel niks.

Maar ik ben er niet goed in.

Omdat ik pas wat kan zijn, als ik er wat voor doe.

Dat heb ik van mijn moeder. Die kon niet stil zitten. Als ze niet aan het werk was, was ze bezig met huishouden, en als ze een moment voor zichzelf had, was ze aan het werk, in de tuin.

Of ze moest even iets doen, voor iemand. Ze was lerares. Ze deed alles voor haar leerlingen, en het leek alsof de hele wereld haar leerling was.

Mijn moeder bleef tot het eind toe druk. Mijn vader had Parkinson, werd zieker en zieker, en er was steeds meer te doen.

Moet ik je overeind helpen?
Wil je even lopen?
Wil je anders zitten?
Moet ik de kachel lager zetten?
Moet ik de kachel hoger zetten?
Wil je even liggen?
Zal ik je jasje aan doen?
Lust je nog iets?

Maar alle doen van de wereld kon zijn lasten niet wegnemen.

De maatschappelijk werkster, die na veel aandringen van iedereen, vooruit dan maar, voor één keer, langs mocht komen, vertelde dat ze er alleen maar hoefde te zijn voor hem.  Dat dat genoeg was.

Niet doen, maar zijn.

Mijn moeder haalde een keer diep adem. Liet het tot haar doordringen. Eigenlijk wist ze dat ook wel. Ze zuchtte nog een keer, keek de maatschappelijk werkster aan en zei:

“Dus ik moet zijn.”

De maatschappelijk werkster knikte. Blij dat mijn moeder het eindelijk begreep. En toen vroeg mijn moeder:

“Maar hoe doe je dat? ¨

 

De kick van de duif

Soms zit er een duif bij ons op straat.

En die duif vertikt het om weg te vliegen als ik aan kom rijden. Tot op het laatste moment blijft hij zitten, en stapt dan ondragelijk langzaam opzij.

Waarom doet ie dat?

Ik heb het hem gevraagd.

“Dat is mijn manier van bungeejumpen”, zei hij.

???

“Ja, hoe spannend is het voor een duif om met een elastiekje aan je poot van een hoge plek te springen, denk je? “

. . .

“Oh, jij dacht dat dieren geen thrillseekers waren? Wat denken mensen toch altijd egocentrisch. Dieren hebben ook hun uitspattingen.”

Ik reed verbaasd verder, en was al bijna buiten gehoorsafstand toen de duif mij na-riep:

“Maar dat is geen excuus voor de bio-industrie. Zo heel veel dieren zijn er niet die aan SM doen!”