Conflicten oplossen op school

Een democratische school heeft een onderzoekskring.

Daar worden alle klachten besproken. En waar nodig worden daar afspraken gemaakt.

Allemaal in overleg met elkaar.

Karel komt naar me toe. Of ik hem wil helpen met het schrijven van een klacht over Pieter.

Pieter sloeg en duwde. Karel vertelt dat hij zó boos was. Hij had Kees wel een dreun in zijn gezicht willen geven. Ik vraag hoe het hem gelukt is om kalm te blijven, want dat vind ik knap.

“Ik heb veel fantasie. Ik verzin gewoon een prullenbak in mijn hoofd. Daar heb ik de boosheid in gestopt.”

Wow.

Even later is de onderzoekskring.

Dit staat in het verslag:

Klacht van Klaas over Pieter
Pieter slaat en duwt me op de bank
Afspraak: Klaas en Pieter zijn nu vrienden

 

geweldige kinderen, deel zoveel

Ik mag het, af en toe :-)

Hier vertellen hoe geweldig ik mijn kinderen vind. Niet alleen van mezelf maar ook van mijn lezers, weet ik intussen. Dankjewel lezers!

Fenna is nu even aan de beurt.

Het klassieke waar-je-het-meest-op-lijkt-daar-bots-je-het-hardst-mee kind.

Net als ik een chaotisch hoofd. En hooggevoelig. Hoger dan ik, vermoed ik.

Dat leverde nog wel eens wat stress op, als er iets voor school af moest. En dan als ouder rustig blijven. Terwijl de plaatsvervangende stress door je lichaam raast.

Moeilijke momenten soms, en het enige waar ik trots op ben in zulke momenten, is dat ik de pijn van Fenna’s gelijk durf te voelen.

Maar dat is allemaal peanuts, vergeleken bij mijn trots op haar. Dat ze zo haar eigen weg gaat. Er zit best wat Fenna in de Natka van mijn voorstelling, en ook wat in Emma.

En de gouden momenten!

Hier bijvoorbeeld, en hier.

Deze week was er weer zo een.

Ik kom thuis en vind Fenna in een zee van boeken. Ze heeft alle boekenkasten geplunderd. Met behulp van een lijst klassieke must-reads is ze aan het kijken wat we er van in huis hebben. En intussen bestelt ze de werken van Kant bij Bol.

Mijn boekentrots (een klein totsje maar hoor) is dat we er niet alleen behoorlijk wat hebben, maar dat ik er intussen ook veel van gelezen heb. En van genoten. Want behalve Moby Dick vond ik ze de worsteling allemaal waard.

Tot diep in de nacht hebben we samen gekeken welke boeken we hebben, en welke we nog missen.

Zo gaaf.

Dit is nu al het derde kind dat een studie gevonden heeft (ACW) waar ze zich in kan verliezen.

Veel van mijn boeken staan nu bij haar in de kast. Small price to pay.

Ik ben een blije eikel ouder.

DSCN6479

 

 

 

Springen

Ik kwam gisteren deze post tegen:

En toen besefte ik wat er allemaal veranderd is de afgelopen twee jaar.

Want dit is nogal een verschil!

Ik  ben in het diepe gesprongen, ruim twee jaar geleden.  Het leverde soms behoorlijk wat stress op: een veilige baan achter me laten.

Maar het was het waard.

Niet alleen omdat ik er nu zo blij mee ben.

Ik zou namelijk helemaal niets van die twee jaar willen missen. Al die benauwde momenten hoorden er gewoon bij.

Laat het leven maar komen, met alles er op en er aan. Ja alles.

Shit will happen, en ik zal lijden. Ik zal kermen. En ook dat hoort er bij.

Leven ik houd van je, in goede en slechte tijden.

Dat voel ik omdat ik gedurfd heb, en omdat ik nu weet dat ik weer zal durven.

 

Groter worden

Ik heb er al vaker over geschreven.

Hier en hier bijvoorbeeld, en ik benoem het in mijn vertelvoorstelling.

Ik heb zelfs het lied van Boudewijn de Groot al een keer genoemd, hier.

Deze week actief bezig geweest met sociale veiligheid op school. (Naast de zorg die er altijd al is) Gisteren overlegd met een clubje over hoe dat nóg beter kan. Komt nog wel een keer een blog over, want ik vind dat het bijzonder is wat we doen.

En toen kwam dit lied weer in mijn hoofd. Ik wist de tekst niet meer helemaal precies, dus ik zocht het op.

En toen huilde ik.

En als ik huil dan weet ik dat er kracht op zit. Dat het wezenlijk is. Dat ik de kern raak.

Dat het goed is dat ik hier mee bezig ben.

Om te zorgen dat er meer is dat overleeft.

(Niet alles. Dat kan niet, en dat hoeft ook niet.)

Voor de overlevenden

 

Wie vertelt me van het leven?
Grote broer, die weet het best.
Als ik groot ben, wil ik even
groot en sterk zijn als de rest.
De poes vindt van niet.
Hij zegt: ik kan hem nu verstaan.
Als ik groot ben, is dat van de baan,
want grote mensen praten niet met poezen.

En nu ben ik groot
en belangrijk en student.
Grote broer, je bent nu dood,
ik heb je nooit als vriend gekend.
Je bent een zware man,
je bent een grote vreemde vader.
Een meneer die het weten kan.
Maar voor mij ben je alleen maar een verrader.

Vlinders zongen in de bomen,
vogels zaten op mijn hand.
Kleine man, je bent aan ‘t dromen,
kom gebruik nu je verstand.
En dat heb ik nu gedaan.

Eerst was verstand een heel nieuw spel,
de poes kon ik niet meer verstaan,
de school werd na een week een hel.
Het paradijs is niet voor grote jongens.

Tot dusver heel normaal,
iedereen wordt eenmaal groot,
het overkomt ons allemaal
en een ieder sterft zijn kinderdood.
Je wordt een grote vent,
je wordt een trage lange jongen
die Tacitus en Wolkers kent
en al zijn dromen netjes heeft verdrongen.

Vlinders moeten rupsen worden,
vogels kruipen in hun ei.
Vliegen hoort niet in de orde
van de mensenmaatschappij.
Toch is er soms een weg.

Toch is er iets dat overleeft
en soms dan kan je even weg
omdat wie wil wel vleugels heeft,
al is het dan alleen maar om te dromen,
alleen maar om te dromen.

Lennaert Nijgh / Boudewijn de Groot

Van wie ik leer: mijn kinderen

Ik ben een ‘help-mijn-man-is-een-puntje-puntje-puntje’ man.

Ik weet niet precies wat er op die puntjes moet, maar het is tamelijk hopeloos.

Ik zit nog steeds veel in mijn hoofd, want daar gebeuren zulke leuke dingen. Dus zie ik de rotzooi niet.

Dat vindt Sacha niet zo leuk. Dus krijg ik gemopper, en dat vind ik dan weer niet leuk omdat dat stoort in mijn hoofd.

Ik ben er steeds vaker uit, dat hoofd. In het nu.

En ik ruim ook erg veel op.

Maar ja. Dat is op de school waar ik werk. Daar heeft Sacha natuurlijk niks aan. Helemaal niet omdat ik behoorlijk moe ben als ik thuis kom.

Jee, dat klinkt ouderwets rolbevestigend hè? Nou ja, zo’n man dus.

En dan hebben we ruzie. Omdat ik vervolgens heel hard probeer om het wel goed te doen. Ik zet wat extra tandjes bij, en ben heel trots op mezelf.

Maar je weet natuurlijk al wat er gebeurt.

Sacha ziet vooral al die dingen die ik niet heb gedaan, vindt mijn trots. Sacha ziet alleen maar de dingen die ik niet heb gedaan zelfs. Reden om eens flink boos te worden. Ze hoeft er ook niet zo over door te drammen, ik weet dat wel. Kijk nou eens naar wat ik wél gedaan heb! Dat soort spul.

En dan zegt Dion, mijn oudste zoon:
“Weet je, het heeft niet zo veel zin om tegen papa te zeggen wat hij niet goed heeft gedaan.”

Nog voor ik “Zie je nou?!” kan zeggen gaat hij door:
“En het heeft ook niet zo veel zin om daar dan boos over te worden.”

Ik ben even stil, en moet dan heel hard lachen.

Lesje geleerd?

Nou . . .

Een week later, na veel boodschappen en koken, kondig ik aan dat ik even staak. Ik haal nog wel de boodschappen, maar dat koken kunnen de kinderen ook wel, vind ik. Ik vind dat ik na dat harde werken recht heb op een potje stevig mokken.

Fenna gaat aan de slag en moppert over de beesten die in de bloemkool zitten. Ik ben bezig met mijn website over Kobe, en kan die stoorzender even niet gebruiken.

Ik loop er naar toe, en zie overal bloemkoolkorreltjes liggen,

“Als het met zoveel gemopper en rotzooi moet, doe ik het zelf wel. Kom maar hier met die bloemkool!”

Nu is het Teske die me de les leest.

“Je doet nu precies hetzelfde als wat je mama verwijt.”

Zo.

Die zit.

En dat wil ik niet, want ik was net zo lekker aan het mokken.

Maar de mok-energie is helemaal weg. Gesmolten, verdampt, weg. Ik snapte al hoe kinderachtig ik deed, maar nu voel ik het ook. Het is weg. De reden ervoor is weg.

Ik maak gezellig samen met Fenna de maaltijd.

En vandaag kook ik weer. Met plezier.

En misschien moet ik even rondlopen om te zien of ik nog iets kan opruimen.

 

 

magisch denken

 

Er staat een klein boompje in onze tuin, met van die hele fragiele blaadjes. Prachtig in de lente, schitterend in de herfst.

“Hallo boompje”, zei ik en ik aaide de knoppen. Ze staan op springen.
“Fijn dat je er weer bent.”

En dan kijk ik naar de grote hazelaar boven mijn hoofd.
“Ja, jij ook! . . .  Jullie allemaal!” Ik neem de tijd om de hele tuin rond te kijken. Ja ze hebben het gehoord.

Magisch denken.

Ik had het als kind. Soms was ik eindeloos bezig om alles in mijn kamer welterusten te zeggen. Want waarom zouden dingen niet ook lekker willen slapen?

Ik heb het nog steeds.

Mijn kind in mij is springlevend.

DSCN5374

Kobe

kobe1

Ik was gisteren met Margreet bij Rheia, een uitgeverij die modulair haar diensten aan biedt.

We willen onze Kobe (ik tekst, Margreet tekeningen) uit gaan geven.

Een jaar geleden stuurde ik het verhaal naar een aantal uitgevers. Ze wilden het niet.

Dus gaan we het zelf doen.

Wat mij erg veel rust geeft is dat ik nu plek heb. De Vallei is mijn plek. Straks betaald, dat is belangrijk, maar belangrijker nog is dat ik een anker heb daar. Ik mag er zijn. Het is een thuis, een basis.

Dat geeft veel rust voor andere projecten. Ik heb niks meer te bewijzen. Ik kan ook niet meer mislukken. Mijn projecten wel, ik niet.

En met Kobe is het erg fijn dat ik dit samen met iemand doe. Dat theateravontuur was prachtig maar wel erg alleen. (Het is nog niet afgelopen, trouwens dat theater. Nu ik ook daar niets meer te bewijzen heb, kan ik er op een betere manier aan werken).

Er zijn meer verhalen dan Kobe. Er is Liedewij, de zanglijster die niet kon zingen. En ik vermoed dat mijn kameel Karel gaat heten.

En het is zo gaaf om samen te werken. Daar schrijf ik nog wel een keer een blog over.

Maar nu eerst Kobe.

Kobe was een Kameleon
die heel goed kleuren kon
niet met verf op een papier
maar met zijn lijf, dat zie je hier.

Bruin op de boom
geel op het zand
blauw in de stroom
en grijs op de kant.

In het grote bos werd hij alle kleuren groen
en Kobe kon daar zelf helemaal niks aan doen.

Kobe wilde zo graag weten:
heb ik ook een eigen kleur?
Hij kon die vraag maar niet vergeten,
al vond iedereen dat gezeur.

Voor zijn eigen kleur moest hij juist los
van al die groenen in het bos.

Los van de stroom
los van het zand
los van de boom
en los van de kant.

Dus ging Kobe uitproberen
hoe het is om los te zijn
hij sprong en sprong, maar alle keren
was zijn sprong net iets te klein

Iedereen zei tot elkaar
Die Kobe is een beetje raar.

“Hij is niet raar!, hij is juist leuk!”
Riep Lea boos, toen ze dat hoorde
“Van jullie geroddel krijg ik jeuk,
dus pas een beetje op je woorden!”

Kun je trots zijn, én verlegen?
Kobe voelde het allebei.
Hij had zojuist iets moois gekregen
en diep van binnen werd hij blij.

Hij wilde iets voor Lea doen.
Zij moest dat blije ook beleven.
Hij zou dus niet zomaar een zoen,
maar zijn kleur aan Lea geven!

Daarvoor moest hij losser dan los.
Hij zocht de hoogste boom uit van het bos.

Hij klom terwijl zijn hart stil zong,
en maakte toen de grote sprong.

Maar het enige dat hij vond
was de veel te harde grond.

Daar lag hij, veel te stil.
Lea die te laat gekomen was
gaf een harde gil
en knielde naast hem op het gras.

Kobe deed zijn ogen open
en hij wist niet wat hij zag
Hij had niet durven hopen
dat hij nu in haar armen lag.

Maar kijk, dat is bijzonder.
Daar, op Lea’s huid,
ziet Kobe een klein wonder.
“Dus zo ziet mijn eigen kleur er uit.”

Zo had Kobe toch maar even
aan Lea zijn eigen kleur gegeven.

neem je plaats in

We wandelden.

Alle vier kinderen weer eens bij elkaar. Ik loop wat achteraan en bekijk ze. Wat zijn ze groot. En wat doen ze allemaal toch stoere dingen.

Wat deed ik op die leeftijd? Ik had geen flauw idee waar ik mee bezig was. Ik rolde van het één in het ander, zonder plan, zonder zelfs maar het gevoel te hebben dat ik zelf zou kunnen sturen.

Ik wachtte, besef ik nu. In mijn hoofd zat wel van alles, maar ik wachtte tot iemand mij zou vragen.

Ik nam mijn plaats niet in.

Dat is wat ik mijn jongere zelf zou adviseren. Neem je plaats in. Maakt niet uit als je blundert. Daar leer je alleen maar van. Wacht niet op toestemming maar neem je plaats in.

Wow, wat bijzonder dat die kinderen van mij dat zo maar kunnen.

een hart om te raken en een hoofd om te spelen

 

Belangrijk genoeg om ook even een blogje over te schrijven.

D’r beur’n rare ding’n in de wereld.

Vast.

Maar ik bepaal wie ik toe sta invloed te hebben op mijn gevoel.

Dus.

Skim ik over al die ellende heen. Niet mijn wereld.

Ik heb vrienden die me af en toe vervelende dingen onder de neus wrijven, in blogs of tweets. Dat mag. Ik hoef niet helemaal wereldvreemd te worden. Ik wordt ook geraakt door schokkend nieuws. Maar wel met mate.

Mijn wereld bestaat uit de mensen die ik wil raken, waarvan ik toe sta dat ze mij raken.

Van hart tot hart.

Mijn wereld bestaat uit alles wat mijn hoofd kan bedenken.

Ik besef tot mijn grote geluk dat ik mijn hoofd steeds vaker gebruik voor spel, in plaats van pieker.