wij experimenteren wel!

De vrijheid die Laterna Magica de leerlingen biedt, vraagt ‘aan de achterkant’ volgens Van Valkengoed een strakke organisatie. Leraren en pedagogen moeten de kwaliteit voortdurend in de gaten houden en elke dag leren om het beter te doen. Als er problemen ontstaan, moeten die snel aan het licht komen en worden opgelost. Op Laterna Magica lukt dat voor een belangrijk deel dankzij de kleinschalige units met honderd leerlingen waarin de lerarenteams samenwerken.

“Wij experimenteren niet”, bezweert Van Valkengoed. “Door kennis, ervaring en onderwijsliteratuur hebben we de sleutels gevonden om het zo te kunnen organiseren. We weten wat we doen. Tegelijkertijd letten we erop ‘het zeker weten’ te voorkomen. We blijven voortdurend nieuwsgierig, stellen vragen en verbeteren. Een kind heeft maar een schooltijd en daar experimenteer je niet mee.”

 

Dit gaat over Lanterna Magica.

Uit de Trouw. Maar ik las dit ook al in het boek “10 scholen om van te leren”. Ik vermoed dat tot de vaste propaganda van de school behoort.

Ik gebruik heel insinuerend het woordje propaganda.

Ik wordt namelijk een beetje kriebelig van deze tekst. Ik vind het een kijk-ons-eens-professioneel-zijn tekst, een verdedig-tekst, een wij-hebben-alles-geregeld-tekst, een we-maken-geen-fouten tekst.

“Als er problemen ontstaan, moeten die snel aan het licht komen en worden opgelost”

Problemen mogen niet?

Lulkoek!

Als je geen fouten maakt, leer je niet. Als je als school geen fouten mag maken, mogen leerlingen dat ook niet.

Even voor de goede orde: Ik denk dat Lanterna Magica een hele mooie school is, en ik ben blij met dit soort alternatieven.

Ik werk ook op een hele mooie school. Ook wij doen niet zo maar wat. Ook bij ons is goed nagedacht. We denken elke dag nog steeds opnieuw na. Want elke dag lopen we tegen nieuwe dingen op. En daarbij maken we fouten.

En dan kunnen we heel mooi schrijven dat dat een voortdurend verbeterproces is.

Maar die stoere managementtaal verbloemt wat het echt is. Het is ploeteren, met je poten in de modder staan.

En dat is fantastisch!

Wij experimenteren wel.

Wij passen aan, proberen uit. En lang niet altijd weten we of het gaat werken, of hoe het gaat werken. Laterna Magica mag mij eens uitleggen hoe ze dat dan doen, dat nieuwsgierig blijven, als je het allemaal al weet.
“We experimenteren niet ”
“. . . hebben we de sleutels gevonden”

Het lijkt Coca Cola wel met hun oeroude geheime formule. Weet je, als je echt op weg bent kom je deuren tegen waar de sleutels nog voor gemaakt moeten worden.

Als je het hebt over de principes van natuurlijk leren. Prima. Die zijn bij ons ook verankerd. Vertrouwen op de eigen vermogens van het kind. Vertrouwen op het sociocratisch proces. Dat is ons geweten bij alles wat we doen. Maar ook daar durven we alles steeds weer te bevragen. Ieder van ons heeft het lef om joekels van fouten te maken. En vervolgens zorgvuldig om te gaan met het proces dat ontstaat. En dat levert schitterende dingen op.

quotebirdy (2)

 

En als je bedoelt dat je als school niet zo maar van alles in het wide weg doet . . .
Ook Prima! Heel goed. Doen wij ook niet.

Maar het lijkt een beetje alsof Lanterna Magica dit zegt om zich te verdedigen tegen de alles-moet-strak-geregeld-zijn cultuur.

Waarom?

Als er mensen zijn die geloven dat Natuurlijk leren een-lang-leve-de-lol onderwijsvorm is, laat ze dat lekker geloven. Als ze écht geïnteresseerd zijn komen ze er vanzelf achter hoe het echt werkt.

Je hebt helemaal geen stoere taal nodig om je school te verdedigen, of mooi neer te zetten. Vertel liever over wat er echt gebeurt, en laat het zien. Dat gaan wij ook doen als de inspectie komt.

vreemde vogels (1)

 

illustraties: beeld: Margreet Joosen, tekst: Jacob Jan Voerman / Verwonderfabels.

Blij met mijn collega’s

Dat je kennelijk zo vaak teleurgesteld bent dat je niet echt meer geloofd dat sommige dingen kunnen bestaan.

Wel in theorie, wel met de mond beleden,
maar als je het in het echt mee maakt,
nee . .
toch allemaal net niet.
Iets dat er op lijkt
maar het niet is
en je kunt het niet eens benoemen want niemand snapt het.
Dat je je mond er over houdt.
Dat je zelfs vergeet er over te dromen.

En nu zit ik in een team dat de dingen waar maakt waarvan ik bijna vergeten was dat ik er ooit in geloofde.

Wow!

Zo blij met de manier waarop we vandaag met elkaar communiceerden.  Met de dingen die we benoemden. Met alles wat er mocht zijn.

Ondanks dat we voor erg lastige dingen nog steeds de oplossingen niet hebben, ging ik gloeiend tevreden naar huis.

Dat.

De smaak van onveiligheid

7 uur, donker, waalbrug, vorst

Ze hebben niet gestrooid. Ik heb mijn ligfiets amper 2 maanden. Ik ben net een beetje gewend, maar dit . . .

Ik ga wiebelen en dat is funest. Ik knal tegen de railing, en breek mijn voortandwiel en ketting.

Daar sta ik. In mijn trotse fietskleren die me heel goed warm houden

als ik fiets.

Het is 13.5 kilometer van huis, en 13.5 kilometer van school.

Ik bel naar huis. Sacha is er nog en komt me halen. Twee uur te laat kom ik op school. (Juist op de dag dat de inspectie er is)

Dit was het ergste scenario dat ik me kon voorstellen toen ik besloot te gaan fietsen naar mijn werk.

En ik leef nog. Er is verrassend weinig aan de hand.

Maar het kan erger.

Direct het paard weer op. Dus vandaag  met een gerepareerde fiets weer op weg.

Het dooit. De Waalbrug gaat goed.

En dan rijd ik in de Betuwe de mist in. Ik zie bovendien dat er gestrooid is.  Mij kan niks gebeuren.

En dan gebeurt het.

In de bocht voel ik de fiets heel even wegglijden. Ik rem, stap af, en voel het wegdek. Op sommige plekken bevriest de mist op het wegdek. Ondanks het zout dat hier en daar ligt.

De ligfietsrvaring is nog steeds vers voor me.  Dus ik ben me overbewust van het stuurproces. Om goed een bocht door te kunnen moet je een beetje gaan hangen met je lijf. Je fiets gaat dan schuin.

En juist dat is nu onveilig. Bij de kleinste bocht verwacht ik elk moment dat mijn fiets weer weg gaat glijden.  En dat doet hij even later ook.

Ik stap weer op, loop de bocht voorbij en voel het volgende stuk weg, nu met blote handen. Nat. Dat moet gaan lukken.

Maar de angst zit in mij lijf.

Dat wat ik moet doen om overeind te blijven voelt onveilig. Elk moment kan ik onderuitgehaald worden.

Ik besef opeens hoe dat moet zijn voor mensen die sociale angsten hebben. Ik weet nu hoe onveiligheid voelt.

Zo dus. En dat dan altijd. Brrr.

Ik heb nog 10 kilometer te gaan.

Tien lange kilometers staat mijn hele lijf stijf van de onveiligheid.

Het gaat goed. De school nadert. Ik minder vaart en op het laatste stukje, als ik de klinkers op rijdt, gebeurt het alsnog. Mijn fiets is weg en mijn stuitje voelt de klinkers.

Maar ik ben er.

Die kou in de winter. Dat is een makkie. Gladheid, dat is pas een monster.

 

Jezelf laten zien? Kun je dat leren?

 

Op onze democratische school de vallei lossen we alles op met praten.

Voor sommigen is dat lastig, dat schreef ik hier al.

En nu ga ik daar weer over schrijven. Omdat ik steeds nieuwe lagen ontdek.

Kijk, het zit zo.

Veel kinderen zitten bij ons op school omdat ze botsten met het systeem op andere scholen. Dat is ook zo’n beetje waarom er democratische scholen zijn, om de dingen te doen die in het reguliere systeem niet kunnen.

Je zou dus denken onze school systeemloos is.

Maar niets is minder waar. Wij hebben ook onze systemen. In de loop van de tijd ontstaan, op socratische wijze. Dat wil zeggen dat een voorstel aangenomen wordt als er geen overwegende bezwaren zijn. Het mooie is dat als een systeem niet meer werkt, er een motie komt om het anders te gaan doen.

En toch zitten er onder die veranderende systemen, een aantal uitgangspunten, en aannames die onveranderlijk zijn. Veel daarvan zijn helder en expliciet. Lees de schoolgids maar.

Maar nog weer andere zijn minder expliciet.

Eentje daarvan heb ik gisteren ontdekt.

Onze school werkt pas als je je laat zien.

Ik bedoel daarmee niet dat je extravert moet zijn, of dat je je moet onderscheiden. Met laten zien bedoel ik dat je je gevoelens niet moet verstoppen.

En dat is een lastige.

Want misschien voelt het nog niet veilig genoeg om die gevoelens te laten zien.

Maar als je ze te lang verstopt, dan wordt het juist onveilig als je ze NIET laat zien.

Dat is het dilemma dat ik ontdekte.

Het heeft te maken met de manier waarop we conflicten oplossen. Niet door te scheidsrechteren, maar door te kijken naar wat kinderen nodig hebben. Door te kijken naar het kind achter het gedrag. Maar als dat kind zich op dat moment niet laat vinden, dan houdt het op. Er zit dan niets anders op om toch te gaan scheidsrechteren. Dus er volgt een consequentie die dan wel heel erg lijkt op een straf gaat lijken.

En dat lost het niet echt op.

Zeker niet voor de andere kinderen die er bij betrokken waren. Die voelen zich in de steek gelaten. Want aan de consequentie hebben ze niet zo veel. Zij hebben zich in het proces wél laten zien, maar hebben het gevoel dat het niet is aangekomen. Ze missen nu het vertrouwen dat nodig is om op een fijne manier weer contact te maken met het onzichtbare kind.

Waardoor het voor dat kind nóg moeilijker wordt om zich te laten zien.

Ja, ik weet het.

Ook deze processen horen er bij.

En toch vind ik het lastig, als coach. Want ik voel me soms zo machteloos. Soms zou ik ook gewoon iets willen oplossen, zoals je een kus geeft op een zere knie.

We lossen op school alles op met praten. Als je dat niet kunt gaan we je dat leren.

Daar onder zit dus nog een laag. Praten alleen is niet genoeg. Je moet je laten zien. Ik ga nu ontdekken of dat iets is dat we kunnen leren aan kinderen.

En Ja!

Ik vind dus dat het iets is dat kinderen moeten leren.

vreemde vogels (11)

Foto: ©beeld en tekst: verwonderfabels

 

 

 

Goed is niet hetzelfde als fijn

“Het gaat goed”, zei mijn innerlijke stem
“Maar het voelt akelig!”, riep ik vertwijfeld terug.
“Dat is waardoor ik weet dat het goed gaat”, zei de stem.

Dit schreef ik toen ik nog heel erg zoekende was. Ik blogde veel, en dat hielp. Zo kwam ik in contact met mijn innerlijke stem, die ik mijn innerlijke fan ben gaan noemen. Dit is één van de gesprekjes die ik had. (Hier staat meer over die innerlijke fan Lees vooral ook de gedichten via de links.)

Sindsdien weet ik dat “goed” niet hetzelfde is als “fijn”.

En nog belangrijker: Ik heb het Niet-Fijne durven voelen.

Ik moest daar aan terugdenken toen ik allemaal oudermails langs zag komen. Over luizen, over spullen die verdwijnen. Er werd zorg uitgesproken, en er werd op elkaar gereageerd, en dat riep weer nieuwe vragen en zorgen op.

Ik liet alles binnen komen. En daar binnen werd er aan allerlei touwtjes getrokken. Het oude doe-ik-het-wel-goed? spook liet zich ook weer even horen, en die maakte het slapende hier-moet-iets-gedaan-worden monster los dat direct begon te roepen: “Hozen! De boot is lek!”

En toen kwam ik weer tot mezelf. De boot is niet lek. Het is Goed. En goed is niet hetzelfde als fijn. Goed kan soms ook akelig voelen.

Wát is er dan goed?

Het is goed dat alles er mag zijn. De ene menig, én de andere mening. De onrust, én de relativerende opmerkingen dat het wel mee valt. Het plan, én de bezwaren tegen dat plan. Ook het feit dat er nog geen oplossing is. Ook de frustratie die daar bij hoort. Het mag er allemaal zijn.

Dat hoort allemaal bij het proces. Dat zijn de ingrediënten die nodig zijn, om samen te leren, te werken en te leven. Dát is wat we kinderen leren. Niet, zoals ik laatst nog langs zag komen, in een serious game, nagespeelde sociale vraagstukken met multiple choice vragen om kinderen sociale vaardigheden te leren. Wij kiezen voor het aan den lijve ervaren. Obstakels tegen komen, en ontdekken hoe je ze zelf aan kunt pakken.

En nu maken ouders aan den lijve mee wat hun kinderen mee maken.

En dat is goed. En goed is niet altijd fijn.

De mails laten mij niet koud. Net zo min als de vervelende dingen die ik hoor van kinderen, of via ouders. Dat ik dat niet wil . . . dat ik daar wat aan wil doen . . . dat ik daar al mee bezig ben . . . dat we daar allemáál hard mee bezig zijn. . .  

Dat hoort er ook allemaal bij. Net zoals het feit dat het tijd kost. En dat we daar dan weer last van hebben.

Maar de boot is niet lek. Ik ga niet meer vanuit angst reageren. Het is wat het is, en we komen er uit. En daar leren we van.

Mijn zeven uitdagingen voor dit jaar op de Vallei

Morgen begin ik weer.

Ik heb er zin, ik heb iedereen gemist. De kinderen en mijn collega’s en de ouders.

Ik popel, maar ik piepel ook een beetje. Want ik wil veel, misschien wel te veel, en het is wat rommelig in mijn hoofd.

Opschrijven! zeggen ze.

En waar beter dan op mijn blog. Bloggen is voor mij onbekend terrein verkennen via de vingertoppen op de toetsen. Opschrijven wat ik al weet, werkt niet voor  mij. Booring!! Vandaar dat ik zo weinig blogde. (Dat schreef ik hier al.)

Maar nu heb ik dus iets dat live kan.

Wat is er allemaal te doen.

  1. De dragers van de school.
    Daar moet ik gaan zoeken naar een goede balans. Ik slinger heen en weer tussen het neerzetten van een prachtige structuur en vooral laten zijn wat er is. Zei je? Bloggen werkt. Tijdens het schrijven van de vorige zin valt het antwoord me binnen. En het is zooo simpel: Zorgen voor een goede structuur die het mogelijk maakt om te laten zijn wat er is.
  2. Gamemaker.
    Steeds meer kinderen ontdekken de lol van zelf spelletjes maken. En ik ben er druk mee. Want helemaal zelfstandig met gamemaker aan de slag, dat lukt nog maar een enkeling. Omdat ik ook de jongere kinderen wil laten proeven (ja ook de kleuters!), bouw ik veel zelf. Zodat de kinderen het resultaat kunnen zien va de dingen die ze bedenken, ook al kunnen ze het technisch nog niet allemaal. Bedoeling is wel dat ze steeds meer zelf gaan doen. Daar wil ik een stappenplan voor. En verder wil ik gaan beschrijven wat de kinderen kunnen. Reflectie: Ik ben zelf nog druk aan het spelen, en vind het geweldig! Ik geniet van alles wat ik ontdek, en wat de kinderen ontdekken. Misschien moet ik deze fase nog even laten voortduren en is het te vroeg voor structuur.
  3. Lezen
    Ik wil alles weten over het proces van beginnend lezen. Op een democratische school bepalen kinderen zelf hun leerroute. Dus ook wanneer ze aan lezen toe zijn. Maar wat nu als kinderen daar met een grote boog omheen lopen omdat ze bijvoorbeeld dyslectisch zijn? Prima als kinderen het leren lezen uitstellen omdat ze er niet aan toe zijn. Veel kinderen leren lezen zonder dat ze daar ooit les in krijgen. Maar die andere kinderen? Niet zo fijn als ze het lezen ontwijken omdat ze er bang voor zijn. Dat proces in de smiezen krijgen, is mijn doel. Kinderen helpen zonder ze op te dringen. Aan kunnen sluiten bij het natuurlijke proces. Reflectie: Inlezen in literatuur (Leuk!), praten met collega’s (leuk!) en observeren(leuk!, maar durf ik daar te tijd voor te nemen? Spannende!) . Mooie manier om een aantal coachkinderen beter in the picture te krijgen (Zie 7).
  4. Legoleauge
    We hebben meegedaan met deze lego-robot wedstrijd, en de aanmoedigingsprijs gekregen. Gaaf! Nu wil ik ik graag een team kinderen die echt als team gaat werken, en zichzelf gaat uitdagen om er meer uit te halen. Dat vraagt een goede begeleiding. Hier ga ik de truuk van 1 gebruiken. Structuur neerzetten die het mogelijk maakt dat de kinderen gaan leren over po procesniveau én inhoudsniveau.
  5. Techniek en timmeren
    Dit zijn vakken waar ik voor verantwoordelijk ben. Ik wil het aanbod daarin verbreden. Reflectie: Dit is de enige waarbij ik zelf geen interne motivatie bij voel. Ik wil heel graag dat we het op onze school hebben. Ik vind het ook leuk. Maar er komt geen energie los als ik hier over na denk. Al die andere dingen mogen ze niet afpakken van mij. Nou ja, dat mag wel, maar dan ga ik huilen. Bij deze zou ik het prima vinden als iemand anders er zich over zou buigen.
  6. Focus
    Dit is een woord dat bleef hangen na de lezing van Freek de Jonge. Het gaf een woord aan iets dat al langer in mijn hoofd zweefde. Onze kinderen zijn heerlijk impulsief van alles aan het uit proberen. En dat is goed. Met dat fladderen komen ze van alles tegen waar ze echt iets van leren. Dingen die ook nodig zijn voordat je aan dat leren kunt toe komen. Jezelf ontdekken, in verhouding tot die ander, bijvoorbeeld. En als ze uitgeraasd zijn, da komt de focus op leren vanzelf? Of niet? En als het niet vanzelf komt, hoe kun je dat dan aanbieden zonder een stempel te drukken? Vragen waar ik graag een antwoord op wil.  Geen idee waar te beginnnen.
  7. Meer zicht op mijn coachkinderen
    Ik heb nog lang niet alle coachkinderen zo goed op mijn netvlies als ik zou willen. Of ben ik nu te perfectionistisch?

 

Zeven.

Dat is een mooi aantal. Er zijn nog wel een paar losse klussen, maar dat zijn losse klussen.

Ik ga dit maar eens omzetten naar Glassfrog, ons vergader- en getting-things-done systeem.

 

Het werkt. Schrijven. Er is meer rust nu.

Ik popel nog, en piepel een stuk minder.

 

Overblogd door mijn dochter

In een Sinterklaasgedicht.

(ja dat deden we met kerst pas en toch noemen we het Sinterklaas)

Twee stukjes uit een heel epos:

Een zinnenzinger die vele werelden creëert.
En vanuit zijn passie en ervaring normen en waarden herintroduceert.
Een oproep voor het tonen van uitzonderlijke moed,
Voor dat wat je niet kunt en dan toch wel doet
Een oproep om jezelf te zijn en je eigen kleur te tonen
Want pas dan kan een ander je met oprechte liefde gaan belonen
Een oproep om je eigen lied uit volle borst te zingen
Ook al kan dat met verwachtingen van anderen soms wringen
Een oproep om te genieten, ook van de dorst en van de pijn
Want ook de ongemakken kunnen soms, juist een zegening zijn

Zijn succes liep echter niet altijd zonder strijd
Als chaoot liep hij van alles te zoeken
En wilde hij vaak teveel tegelijkertijd
En dat ging weer gepaard met ongeduld en vloeken.
Ook zijn slechthorendheid was soms echt een last.
Veel verhalen van thuis kreeg hij niet direct mee.
Maar werd later opeens door die informatie verrast
Dat vergt van beide kanten soms geduld voor twee.

Ze had mijn blogs doorgeploegd, en had er een LOCO van gemaakt. Ik moest woorden of een stukje van een zin met de juiste plaatjes combineren.  Lastig want mijn dochter heeft weer andere associaties dan ik.

Ze had zelfs een stop-motion filmpje gemaakt van Kobe die in de kerstboom klimt als “Kobe – the Movie”  want het geheel werd gepresenteerd als biografie van de gouden-griffel-winnaar J.J. Voerman.

En zo wordt ik dan met een aantal blogs van mezelf geconfronteerd.

Op een van de kaartjes stond een citaat dat ik niet direct herkende van mezelf maar wel heel mooi vond. Pas toen wist ik weer dat ik dat schreef over de kinderen op de Vallei:

Ze zijn hun dromen, ze zijn hun prachtige onhandigheid, ze zijn hun dappere pogingen in de dingen waar ze helemaal niet goed in zijn, ze zijn hun twijfel en hun aarzeling, ze zijn hun halsoverkop-oeps-sorry, ze zijn hun tomeloze energie en fantasie.

Wat een fijn moment om je eigen tekst met vreemde ogen te kunnen lezen, als was het maar voor een seconde.

 

En plotseling voelde het een beetje pompeus om het leven in zulke grote woorden te noteren, om alles zo mooi te willen zeggen. Maar dat gevoel gooide ik weer weg. Want dat is een deel van wie ik ben. Het mooie zien, ook in het lelijke. En dat in een mooie vorm door willen doorgeven.

Veel van wat ik schrijf gaat over gezien worden.

Deze Sinterklaas ben ik heel erg gezien.

Teske bedankt.

Hoe multicultureel zijn we eigenlijk?

Als je jeuk krijgt van het woord multicultureel, ga dan ergens anders lezen. Ik ben voor multi-culti. Het alternatief is een mono-cultuur, en in de landbouw weten we waar dat toe leidt.

Ik gaf les over de Grieken en Romeinen.

Rare jongens, die Romeinen, maar nog niet zo raar als de Spartanen. Daar draaide alles om fysieke kracht en durf.

Hoe anders is dat nu. Alles draait tegenwoordig om het juiste verhaal.

En wat moet je dan, als leerling die daar niks mee heeft, met dat praten?

Stefan is zo’n fysieke jongen. Lekker rouwdouwen, laten zien wie het sterkste is, wie het meeste durft, en een ruzie los je gewoon op met een stomp. Hoe simpel kan het zijn.

Maar nee, dan komt er een begeleider die zo nodig alles moet uitpraten. Wazige shit waar je niks mee kunt. En omdat je er niks mee kunt loop je grote kans de status van probleemjoch te krijgen.

Deze leerlingen hadden in Sparta de hoogste status gehad. Op veel scholen in Nederland bungelen ze ergens onder aan.

Ook Stefan heeft het moeilijk op onze school. Wij houden van praten. Alles wordt er mee geregeld. Onze cultuur heeft weinig plek voor zijn talenten.

Zeg ik hiermee dat we terug moeten naar Spartaanse toestanden? Nee, alsjeblieft niet!

Maar een beetje meer aandacht voor wat niet meteen past, is wel fijn.

Voor Stefan betekent het bijvoorbeeld dat we een free-running clubje gaan organiseren. Kijken wat we op het schoolplein aan uitdagende obstakels kunnen vinden en maken. Onze gym bestaat al voor een groot deel uit lekkere zwaai- en klimactiviteiten, kunnen we mooi combineren.

En dat praten? Dat blijft. We gaan Stefan leren hoe hij daar mee om kan gaan.

Wel goed om te blijven beseffen dat de manier waarop wij de boel geregeld hebben niet voor iedereen even vanzelfsprekend is.

 

 

 

 

 

Waar zit jij, op de sjaal?

Geen digibord kan er tegenop.

Tegen roeien met de riemen die je hebt.

Ik wilde deze tekening maken.

onzekerstoer

Om uit te leggen dat stoere kinderen reageren vanuit dezelfde onzekerheid als verlegen kinderen.

Maar geen digibord, geen schoolbord, en zelfs geen pen en papier bij de hand.

Saskia pakt haar knuffel en legde de sjaal op tafel en vouwde hem in een hoek.

“Ik denk dat ik soms hier en soms hier zit”, zegt ze, “maar dan niet helemaal aan het uiteinde. Van beiden een beetje.”

Ze wijst het aan op de sjaal.

Jasmijn wijst op de verlegen sjaalpunt, iets onder de helft.

“Hier zit ik, denk ik”

En meteen weten ze dat die jongen waar ze af en toe last van hebben, dus op het uiteinde van de ‘stoere’ sjaalpunt zit, en dat hele stille meisje aan het andere uiteinde.

Beiden dezelfde sjaal.

Beiden onzeker.

“Eigenlijk is iedereen onzeker” zeg ik. “Je weet nooit zeker of anderen jou oké vinden, precies zoals je bent. Als je dat vervelend vind, ga je iets doen om dat vervelende niet te hoeven voelen. Zo stoer/zeker worden dat niemand je kan raken, of juist heel stil worden zodat ze je niet zien. Of aanpassen”

En als je beiden niet wil?

Dan moet je dus leren omgaan met die onzekerheid. Dan helpt het als je het oké vindt dat die er is. Dat betekent dat je vreugde binnen laat, maar dat ook de pijn er mag zijn.

Het zijn de dragers van de school met wie ik deze gesprekken voer. En ik zie dat ze het snappen.

Een van de leerlingen die al veel langer op onze school zit, kijkt naar de sjaal, en zegt bedachtzaam: “Ik herken me niet zo in de uiteinden, ik voel me niet verlegen, en ook niet stoer.”

Ik kijk naar hem. Hij is rustig, zit eerder aan de verlegen dan aan de stoere kant. Maar hij heeft gelijk. Hij is niet verlegen. Als hij iets te zeggen heeft doet hij dat. Hij komt voor zichzelf op als het moet.

Zou het komen omdat hij al een tijd mee draait in democratisch onderwijs?

Want ik besef nu hoe waardevol het is wat we doen op deze school.

Als je wil leren omgaan met de onzekerheid van de wereld moet je daar wel de kans voor krijgen. Dan moet niet alles voor je geregeld worden. Dan moet niet alles vertaald worden in goed of fout, of hoe het hoort.

Er is vaak gedoe op school. En dat gedoe is nodig. Om je plek te vinden. Om te leren accepteren dat het er allemaal bij hoort. Het leuke én het vervelende.

Fijn, dat een steeds grotere groep kinderen gaat beseffen dat dát is wat we hier leren met ons spel: wie we zijn. En dat we er mogen zijn, zoals we zijn. En hoe dat zicht dan verhoud met rekening houden met elkaar.

Ik ben totaal niet bang dat het spel daardoor minder spontaan wordt.
Wel veiliger, want deze kinderen gaan straks lekker weer voluit spelen, maar intussen werken wel samen aan een basis waar we op terug kunnen vallen.

En daarom is roeien met de riemen die je hebt zo mooi. Veel mooier dan een digibord. Want ik hoef maar te zeggen: “waar zit hij op de sjaal?” en ze weten meteen waar ik het over  heb.

 

 

Dragers van de school

Ik heb het kinderkantoor afgehuurd.

Zo gaat dat op een democratische school. Leraar zijn geeft mij geen recht om eigenhandig een ruimte te bezetten. Dat gaat in overleg.

Daar zit ik. Met een aantal kinderen die ik in de wandelgangen aangesproken heb.

Helpen om de school een fijnere plek maken. Dat is wat ik als overkoepelend begrip gebruikt heb. En dat is voor deze kinderen genoeg. Enthousiast hebben ze allemaal ja gezegd. En ik weet dat deze negen kinderen lang niet de enige zijn. Maar ik wil niet te groot beginnen.

Ik begin met uit te leggen wat ik van plan ben. We gaan iets doen wat in nog geen enkele ‘samenleving’ gelukt is. We gaan elkaar aanspreken op gedrag, en we gaan dat doen zonder dat we een verstikkende sociale norm opleggen.

Het is nodig.

Er wordt te veel rotzooi gemaakt. Er gaan te veel dingen stuk. Er zijn te veel conflicten.

Het is allemaal nodig, het hoort er allemaal bij.

Maar te is te.

Veel kinderen gaan wel verantwoordelijk om met spullen. En die balen er van dat andere kinderen dat niet doen. Maar ze weten niet hoe ze daar iets aan kunnen doen.

Hoe spreek je iemand aan?

Dat is lastig,

en eng.

Als je het niet eng vindt weet ik niet of ik je vertrouw.

Daar gaan we elkaar dus nu bij helpen. Daar is deze groep voor. Dragers noem ik ze. Kinderen die de school helpen dragen.

Ze zijn niet alleen enthousiast. Ze willen meer.

We kunnen ook helpen bij conflicten.

We kunnen kinderen waarvan we zien dat ze het moeilijk hebben steunen.

En ja, ook dat gaan we doen.

En de groep gaat groeien. Als ik dat zeg komen er meteen namen van andere kinderen die er bij kunnen, omdat ze het ook kunnen.

En dan zeg ik dat ik misschien juist wel ‘drukke’ kinderen, die het nog niet kunnen, er bij wil. Want hier bij horen geeft ze misschien net wat nodig is om drager te worden.

Ik had enige weerstand verwacht. Maar nee, wéér komen er namen. Deze keer van kinderen waar ze soms last van hebben, maar waar ze dus nu zij-aan-zij mee willen staan.

Ik wil Pieter er bij. Juist omdát ik last van hem heb. Ik wil hem op een andere manier leren kennen.

We praten over wat er gebeurt in school. De kinderen bekijken nu opeens incidenten met de vraag wat kinderen nodig hebben.

Wat hebben deze kinderen het goed begrepen.

Ze zijn geen ploegje ordebewakers.

Ze zijn dragers

van de school

van elkaar

van kinderen die het moeilijk hebben.

En er komen nog veel meer bij, want we kennen met elkaar meer dragers dan deze negen.

Wat ben ik vreselijk blij met ze.