wakker liggen en net niet afglijden

Ik heb vannacht wakker gelegen.

Door gepieker.

Dat gebeurt me niet vaak.

Mijn theater blijft steeds opschuiven, en het geld raakt op, dus ik raak langzamerhand in de problemen. We moeten thuis weer erg knijpen met het budget, en dat maakt de boel er niet vrolijker op.

Maar ook het ‘niet kunnen doorpakken’ vreet aan me. Ik heb het gevoel dat ik heel veel moet doen, maar ik kan geen praktische dingen bedenken die ik nu kan doen. Ik heb een datum nodig, pas dan kan ik voluit weer aan de marketing. Nu kan ik niks doen, behalve schrijven en oefenen. En dat voelt te leeg.

(Merk je hoe ik me hier afhankelijk maak van iets buiten mezelf? Als ik maar een datum heb, komt alles goed? Zo gaat dat dus.)

Geld en een mengsel van onmacht en schuldgevoel. Twee kleine dingen die zich als een worm door mijn hersens kunnen vreten.

Vannacht bedacht ik hoe makkelijk het is om af te glijden.

Als ik geen gezin had, had ik zo maar kunnen bedenken dat ik de handdoek in de ring zou kunnen gooien, omdat het toch allemaal niet lukt.

Had ik me in mijn bed weer om kunnen draaien en de dag verslapen.

Internet had ik dan een tijd links laten liggen uit schaamte. En hoe langer ik daar zou wegblijven, hoe minder ik zou durven terugkomen.

Ik zou mezelf heel erg zielig gaan vinden. Ik zou het weer een bewijs gevonden hebben voor de gedachte dat ik overal misluk. En dat bewijs zou zichzelf makkelijk in stand houden.

Ik zou mezelf hoe langer hoe nuttelozer voelen. En daardoor steeds minder contact met anderen zoeken. Omdat ik mij in contacten met anderen nóg nietiger zou voelen.

Ik zou daarom lotgenoten gaan uitzoeken, omdat ik me dan niet zo klein zou voelen. En ongewild zouden we toch erg dicht in de buurt komen van het klagen over een wereld die niet eerlijk is.

Ik zou uiteindelijk opgetrommeld worden door het UWV, of de gemeente. En ik zou boos zijn dat ze me niet snappen, en me verzetten. Daardoor zouden zij nog harder aan me gaan trekken.

En ik zou me gaan gedragen als een dood paard.

Ik schrok er van hoe makkelijk het is om in zo’n neerwaartse spiraal terecht te komen.

Het enige dat je er voor hoeft te doen is beslissen dat je het niet waard bent.

Goed.

Ik heb werk te doen.

Want afglijden ga ik nooit meer doen.

Ik ben meer waard, veel meer.

Ik heb hele mooie verhalen te vertellen.

De wereld zit er misschien niet op te wachten, maar de wereld heeft ze wel heel erg nodig.

Oja, kom kijken naar mijn theater.

Niet omdat ik anders zielig ben, maar omdat het goed is ,en omdat het een mooi en eerlijk verhaal vertelt.

verhuizen

Dion gaat naar Spanje.

Mijn oudste zoon (23), laatste stage van zijn studie Scheikunde.

En dat was dus kamer leeghalen. Dubbele huur is niet handig, en onderhuren ook niet, want als hij terug is uit Spanje, is hij toch klaar met zijn studie. En hij weet nog helemaal niet waar de volgende stap hem gaat brengen.

Het liefst een promotie-onderzoek, want Dion is onderzoeker in hart en nieren. Niet het nut, maar de nieuwsgierigheid drijft hem.

Dus ben ik twee dagen bezig geweest om samen met hem zijn kamer uit te mesten. Ik schrik niet zo van de rotzooi. Mijn studentenkamer was ook zo.

Het was vooral erg gezellig.

Daarvoor geef ik mezelf een klopje op mijn schouder. Niet dat het mijn prestatie was. Niet dat het überhaupt een prestatie was.

Ja, toch wel. Omdat het een prestatie is dat ik niet in een valkuil gestapt ben. 

Ik had het namelijk ook als rotklus kunnen beschouwen. Kunnen mopperen dat hij niet wat meer voorwerk gedaan heeft. (Kon hij niet trouwens, hij was heel erg druk met afronden van de vorige stage. Hij moet woensdag nog een presentatie geven, en donderdag vliegt hij al)

Ik kan dat zo maar, ergens met het verkeerde been in stappen. Achteraf altijd spijt. Daarom ben ik zo blij dat ik het niet gedaan heb.

Dat ik op tijd bewust was van het feit dat ik op twee manieren een leuke vader kan zijn. Niet allen maar door hem te helpen, maar vooral door de manier waarop ik dat doe.

Met dat leuke vader zijn, bedoel ik niet dat ik graag als leuke vader gezien wil worden. Ik bedoel dat ik er voor Dion op een leuke manier wil zijn.

En het was leuk. Een fijn vader en zoon momentje.

Van zoiets simpels kan ik erg blij worden.

Ik ga hem missen, maar Teskes halve jaar in Srilanka heb ik ook overleefd.

En ik kan erg goed plaatsvervangend genieten. Ik ben écht blij voor hem, met wat hij daar gaat beleven.

zondag

zoete zachte zondag
zing voor mij
zing zonder zinnen
sla een gat in de tijd
stop het stromen van het zand
zodat ik zonder zorgen weg kan zakken
zoete zachte zondag
zing alle draden die ik trok
zing al die draden
tot netten trok ik ze
zing al die draden los
zoete zachte zondag
zing voor mij
zing zonder zinnen

boeken en een stokpaardje

Leuk dat Goodreads.

Je kunt je leesvorderingen bijhouden en dan ook opmerkingen plaatsen. Zo kan ik mooie citaten uit boeken bijhouden.

Ik herlees Tinker Tailor Soldier Spy. Ik las dat in de jaren 80. Omdat ik de TV serie gezien had. Hele mooie rol van Alec Guiness.

Ik heb voor mijn verjaardag de DVD gekregen. En nu dus ook weer de boeken herlezen.

En dan mijn stokpaardje.

Stephen King. Als ik die lees zeggen veel mensen: “Ik houd niet zo van griezelboeken.”

Mijn stokpaardje is dat ik vind dat de boeken van Stephen King helemaal geen griezelboeken zijn. Zijn boeken gaan in eerste plaats over mensen. Over hun worstelingen in het leven.

Over kindervriendschappen (Hearts o Atlantis, The body, IT), of over kinderen alleen (The Shining, The girl that loved Tom Gordon). Over opgroeien en liefdesverdriet (Joyland). Over het huwelijk (Liseys Story, Duma Key). Over leerling/meester relaties (Dark Tower, Colorado Kid)

Stephen King zet die mensen in bijzondere situaties om te zien wat er gebeurt. Maar hij geeft ze dus altijd een achtergrond mee, een geschiedenis. En uiteindelijk gaat het altijd om de mensen. (Nou ja, soms ligt het zwaartepunt bij de situaties die hij creëert, maar dat vind ik dan ook meteen de mindere boeken, zoals “Cell”)

Zo ook John le Carré. Zijn spionageverhalen zijn bevolkt met echte mensen in plaats van met ‘clue carrying characters’ (term is gejat uit een review)

En vaak zijn de achtergrondverhalen van die mensen nog mooier dan de plot. Sterker nog, die plot zit de eerste keer lezen in de weg. Omdat je te snel wil lezen omdat je wil weten hoe het zit. De tweede keer lezen levert zulke mooie dingen op.

Dat de plot van ondergeschikt belang is, ga ik proberen uit te leggen aan de hand van een voorbeeld.

Oké, daar is dus de spion, die verraden is door de mol, neergeschoten, in Tjechoslowakije. Teruggehaald naar Engeland. Maar het verraad heeft er voor gezorgd dat hij uitgerangeerd is, buiten bereik van nieuwsgierige mensen, ergens in een uithoek van Engeland.
Hij geeft daar les op een kostschool. Er wordt veel aandacht besteed aan zijn manier van omgaan met de leerlingen, vooral met het buitenbeentje van de klas, die hij aanstelt als zijn ‘watcher’. 
Volgens de plot zou deze jongen de  redder van de dag moeten worden, op het moment dat ze de spion ‘komen halen’. Maar nee hoor. Carré heeft de jongen niet opgevoerd als pion op het schaakbord van zijn plot, Hij vertelt gewoon een mooi, eigen verhaal over twee outcasts. De spion/leraar en het buitenbeentje. Het boek begint er mee, en eindigt er mee. Alsof het hele spionageverhaal, slechts een uitstapje is van dat verhaal.

En zulke heerlijke Engelse zinnen!

Daarom vond ik het extra leuk, die mogelijkheid van Goodreads.

Kijk maar eens naar de citaten die ik uit Tinker Tailor Soldier spy heb geplukt:

 

page 28:
De vrouw van Smiley heeft een minnaar, en hij vermoed dat. Smiley leest zijn post:
“One letter from the bank regarding al local cahsing facility in favour of the Lady Ann Smiley at a branch of the Mildand Bank in Immingham. And what the devil, he demanded of this document, are they doing in Immingham? Who ever had a love afair in Immingham? Where wás Immingham?”

page 50:
Ricky Tarr vertelt over zijn ontsnappingsplan met een Russische vrouwelijke overloopster, die een beetje te hard van stapel loopt, en zich meteen verloofd ziet met hem.
“. . .but I reckoned we’d cross that bridge when we were past it”

page 70:
Smiley, die een vraag krijgt over een onbegrijpelijke actie van een vrouw
“I’m afraid you’ll have to ask a women that question”, said Smiley, wondering again where Imingham was.

page 76:
Ann, de overspelige vrouw van Smiley, die compleet haar eigen gang gaat en zich van niets en niemand wat aan trekt, tegen Smiley:
“Coercion is just another word for doing what you want; or for not doing what you are afraid of.

page 139:
Control, de grote baas van de geheime dienst, over Percy Alleline, de man die zijn plaats wil inpikken:
“And like everyone who’s had enough”, said Control as Alleline noisily left the room, “ḧe wants more”.

page 152:
“And artist is a bloke who can hold two fundamentally opposing views and stil function: who dreamed that one up?”
“Scott Fitzgerald”, Smiley replied.

page 270:
Jim, de spion die verraden is en daar schotwonden aan over heeft gehouden:
“Sometimes he thought of the wound as a memory he couldn’t keep down. He tried his damnedest to patch it over and forget is, but even his damnedest wasn’t always enough.
(prachtige omdraaiing van het cliché dat verdriet net als een wond is)

page 270:
Smiley over de slimme manier waarop Moskou de Engelse geheime dienst laat betalen voor misinformatie, die de verrader hen voedt
“In that respect secret services and their customers are like anyone else, I’m afraid. They value most what costs most. The more you pay for it, the less inclined you are to doubt it.”

 

Er zit ook nog een beetje levenswijsheid in. En ook daar lijkt Carré op Stephen King, both sadder and wiser, maar King toch nog met een meer optimistische kijk op het leven. Daarom houd ik uiteindelijk toch meer van King.

Maar beiden zijn dus geen genre writers. Het zijn schrijvers die het genre gebruiken als kapstok voor prachtige verhalen over mensen, en nooit als invuloefening.

 

van je onhebbelijkheden moet je het hebben

Een jattert, ben ik.

. . . of een aanpassert.

Ik studeerde in Wageningen, en woonde op een studentenflat. Een van mijn medebewoners had een Vlaamse vriendin. Ik vond dat zo mooi klinken (wij allemaal trouwens). En als ze een weekend geweest was, praatten we een week lang allemaal nog een beetje Vlaams.

Ik heb dat meer. Toen ik in Apeldoorn werkte (als ontslagambtenaar), ging ik als vanzelf knauwen, en in Den Bosch, waar ik sollicitatietrainingen gaf, gooide ik op een gegeven moment zomaar een vort tussen mijn zinnetjes. Want daar doen ze dat vort allemaal.

Na-apen.

Met bloggen en schrijven doe ik dat ook een beetje.

De zinnetjes als vishaakjes, die heb ik van Kitty.

Soms betrap ik mezelf er op dat ik de mooie terloopse toon van Elja wil uitproberen.

Als ik schrijf wil ik op Paul Biegel lijken, of op Stephen King. (Beiden lukt niet)

Als ik voor mijn theater zinnen uitprobeer, komt er een slechte Freek de Jonge imitatie uit.

Ik heb vast wel een eigen stem.

En ik denk dat ik ook weet waar ik hem kan vinden.

Als ik filmpjes van mezelf terug kijk, erger ik me aan mijn onhebbelijkheden.

Dat zijn ze, natuurlijk,

die onhebbelijkheden,

die zijn mijn eigen stem.

metaforen zijn mooi, maar een boodschap moet wel kunnen aarden

nou dat was dus zo’n beetje wat ik wilde zeggen

Ik kwam er op door deze tweet

Daardoor moest ik weer terug denken aan de tijd dat ik trainer was.

Dat was vooral een leuke tijd. Ik was voortdurend op zoek naar creatieve manieren om een boodschap over te brengen.

Het liefst een mooie metafoor.

Ik vond ook een paar mooie

De boodschap dat de wereld vooral bepaald wordt door hoe je er naar kijkt bijvoorbeeld, maakte ik duidelijk met het kinderboekje van Max Velthuijs: “Klein mannetje vind geluk”

kmvg

Een klein mannetje vindt een klavertje vier. Hij is er nu zeker van dat hij geluk heeft. Er gebeuren allemaal rampen, maar klein mannetje ziet alleen maar dat hij geluk heeft, want het had allemaal nog erger gekund.

(Dit was allemaal nog lang voor RET, de 3 G’s.)

De boodschap dat je tegen een stootje kunt als je bij jezelf blijft, liet ik zien aan de hand van een tuimelaar.  Bij jezelf blijven heeft te maken met een buikgevoel,  buikademhaling, geaard zijn, en niet te veel ‘in je hoofd zitten’. Ik liet de tuimelaar zien, een mannetje met een dikke buik. Ik liet zien dat die wel kon schommelen, maar dat ie altijd weer overeind kwam. Als je maar niet te veel in je hoofd zat.
Soms ben je even de weg helemaal kwijt, zei ik dan, en gaf de tuimelaar een flinke zwieper, zodat hij tolde. En iedereen kon zien dat dat niet leuk is, maar dat de tuimelaar langzaamaan weer met zijn kop naar boven kwam, en tot rust kwam.

Sollicitanten die alles leuk vonden, en op allerlei verschillen banen solliciteerden, (en dus ook al veel mislukte sollicitaties hadden) liet ik spelen met de gekleurde play-dough van mijn kinderen.  Voor elke vacature waar ze op reageerden, liet ik ze iets van play-dough maken. En steeds brak ik het weer af (mislukte sollicitatie), en liet ze weer iets nieuws maken. Als je dat vaak genoeg doet, gaat de klei mengen, en wordt het vies bruin. “Kijk”, zei ik dan, “dit is wat de werkgever ziet als je aan komt voor een baan die je ‘ook wel leuk’ vindt. Hij ziet niet meer die ene kleur die jij graag wil, en die je bent, maar hij ziet dit vieze bruin.

Ik heb ooit een training gegeven als midweek in een Center Park huisje. Daar had ik geen flip-over, en ik heb mijn theorie over communicatie met de theepot en de koffiepot verteld. Nog tijden later werd er bij conflicten gezegd, “misschien moeten we even de theepot er bij halen.” Dat was geen echte metafoor, maar dat werd er door gebruik wel een.

Maar ik ontdekte langzamerhand dat verhalen zonder eenduidige boodschap mooiere metaforen zijn. Met de verhalen die ik maakte, wilde ik niet langer een algemene boodschap probeerde over te brengen, maar ik wilde met een verhaal terug gven wat ik bij iemand zag. Die verhalen maakte ik vaak zelf. (En soms paste ik een bestaand verhaal aan)

Boodschappen zijn mooi hoor.

Maar het is niet de manier waarop de boodschap gebracht wordt, die maakt of het kwartje valt. Dat kwartje valt alleen als de ontvanger er klaar voor is. In goede aarde vallen, noemen we zoiets.

Ik ging me hoe langer hoe minder op de boodschap richten en meer op de aarde. En omdat dat eigenlijk therapeutenwerk is, ben ik uiteindelijk met trainen gestopt. Ik wil de verhalen nog steeds aanreiken. En ik hoop dat ze hier en daar voor iemand de aarde wat vruchtbaarder maken. Maar ik ga niet meer in andermans aarde wroeten.

(Ten overvloede: Ik zeg hier dus helemaal niet over wat Ellen met metaforen en boodschappen doe he? Dat was alleen de tweet die me triggerde, en even terugbracht naar de tijd dat ik trainde)

compleet

carandache

 

Die kreeg ik ooit als kind.

Het klonk Chique, net zo chique als Toblerone, en dat kwam ook al uit die mooie bergen.

Dit gaf me een gevoel van compleetheid. Het was compleet en het klopte.

Totdat ik het ging gebruiken. Dat die potloden korter werden, was niet erg. Wel jammer dat het ene potlood sneller ging dan het andere, want dan zou het niet meer compleet zijn.

En helemaal jammer dat ik ze met mijn kleurenblindheid nooit meer precies op goede volgorde kreeg.

Ik heb dat nog steeds, die hang naar compleetheid, de wens dat het klopt.

Maar het aftakelen zit al besloten in de compleetheid, en dan toch vasthouden aan dat mooie beeld. De potloden in een andere doos doen, zodat het niet meer opvalt dat er een paar weg zijn bijvoorbeeld.

Het is een spel dat ik niet helemaal kan loslaten.

Want mezelf nooit meer voor de gek willen houden is natuurlijk ook een manier om compleetheid te faken.

 

de o zo goedbedoelende, maar bange leraar

NS4A6801

Het was precies wat ik dacht, daar hadden ze helemaal gelijk in. Maar dat kon ik natuurlijk nooit met goed fatsoen toegeven.

De eerste zin van het rapport van het “bureau voor studiekeuze onderzoek”, loog er ook niet om.

” Wij denken dat Jacob Jan in eerste instantie afwijzend zal reageren als wij hem adviseren om een technische studie te kiezen.”

en wat te denken van:

“Hij komt ons voor als iemand die naar een adres zoekt, in de verkeerde stad. Zijn ongetwijfeld goede bedoelingen om anderen te willen helpen, kan hij niet waarmaken, omdat hij nog te veel met zichzelf bezig is.”

Landmeetkunde, adviseerden ze note bene. Land – meet – kunde. Op een HBO, want ik had dan wel VWO, maar ik was te snel afgeleid om een pittige studie te kunnen volgen.

Was ik zo kwaad omdat het waar was, of omdat het zo verdomd denigrerend was?

Techneuten waren nerds, en nerds waren gek, eind jaren zeventig, en niet ’te gek’. Cool bestond nog niet, laat staan een coole nerd.

Techniek werd het dus zeker niet. Wageningen University heette toen nog Landbouwhogeschool, en had een breed vakkenpakket, waaronder landmeetkunde, maar ook psychologie en sociologie. Een perfect compromis.

Maar ja, met een compromis vind je geen baan. Zeker niet in de crisis van de jaren ’80. Dus kwam ik in een omscholingstraject terecht: informatica, dé mode in die tijd.

Als je denkt dat ik hierdoor alsnog de techniek in dook, weet je nog niet hoe koppig ik ben. In dat traject zat namelijk ook een training sociale vaardigheden. Dat was een eye opener voor een student die wel heel sociaal kon praten, maar vooral ook heel sociaal onhandig was.

Als iets voor jezelf een reuze ontdekking is, betekent dat nog niet dat jij degene bent die dat allemaal direct aan iedereen moet doorgeven. Maar dat wist ik nog niet, en dus werd ik trainer. Autodidact, want ook toen waren er al zelfhulpboeken zat. 

Nog steeds wilde ik de wereld verbeteren. Ik zag dat veel mensen hun worsteling met het leven, soms al vanaf hun kindertijd met zich meedroegen. Ik kreeg zelf kinderen, en zag dat op scholen de eigenheid van een kind niet echt werd aangemoedigd. Daar lag de echte uitdaging.

Toen het arbeidsbureau (waar ik sollicitatietrainer was), zijn eerste stap zette op weg naar de repressieve uitkeringsfabriek die het UWV nu is, greep ik mijn overtolligheid aan om de Pabo te gaan doen.

Dat pedante toontje in de zin hierboven, dat was dus ook de houding waarmee ik die Pabo ging doen. Ik zou ze wel eens laten zien hoe je kinderen kon uitdagen, en hoe je ze ruimte gaf  om zichzelf te kunnen zijn. Per slot van rekening kon ik dat in mijn trainingen ook. Toch?

Als in een echte Grieks tragedie zag ik de tekenen aan de wand te laat, omdat ik mijn trots mee de klas in had genomen.

In die trots zat een heel klein jongetje verstopt. Het jongetje dat geen nerd durfde te zijn, omdat hij er anders niet bij hoorde. Dat kleine jongetje keek vanachter de trots verschrikt naar alles wat er in een klaslokaal gebeurde.

Het herkende de pikorde in de klas, de benauwde strakke, structuren van de school, regels en lesmethoden, die alle originaliteit doodden. Het zag de leerlingen die er aan en onder gingen, en het voelde opnieuw zijn eigen pijn.

Sommige van die leerlingen kon ik bereiken, als leraar. Die leerlingen voelden zich gezien, bloeiden op. Maar ik kon ze onvoldoende bieden.

Want  tegen de pikorde en de structuren was ik machteloos, omdat mijn eigen oude angst in alle hevigheid terugkeerde, en me volledig lam legde.

In die tijd ontdekte ik voor het eerst dat ik misschien niet alles hoorde, maar dat was niet de reden dat het mis ging. Mijn doofheid zou later mijn redding worden, niet mijn ondergang. Nee, die ondergang groef ik zelf.

Ik kon gewoon geen orde houden. Zo noemde ik het niet, want geen orde kunnen houden was voor mij net zoiets als ‘nerd’ genoemd worden. Daar zat te veel schaamte op, en pijn. Hoe ik het ook noemde, ik werd bang voor de dynamiek van de klas.

Op de terugweg van mijn eerste baan, zat ik vaak huilend in de auto, van onmacht.

De onmacht werd frustratie.

De frustratie kon ik niet buiten het klaslokaal houden. En zo werd ik de leraar die ik juist niet wilde zijn.

Ik zag het in de ogen van de leerlingen: “Jij ook? Jouw start beloofde iets anders.”

In al mijn wanhoop ging ik op de slimme en brave leerlingen steunen. Tot mijn grote schrik, besefte ik te laat dat zíj juist van míj verwachtten dat ik ze zou afschermen van het gedoe in de klas, zodat ze eindelijk aan leren toe konden komen.

Ze hadden zo groot gelijk. Het lag ook zo voor de hand, en ik had het niet gezien. Omdat ik bezig was mezelf staande te houden.

Ik zat in de spagaat. Ik, die wist hoe het beter moest, kreeg niet eens de meest basale dingen voor elkaar.

Het duurde even voordat ik doorhad dat ik op zoek was naar een adres in de verkeerde stad.
“Je kunt toch niet bezig blijven met verkeerde steden?” dacht ik koppig: “Dit is nu al de zoveelste. Ik moet toch ergens een keer mijn koffers kunnen uitpakken?”

Met veel verdriet, gedeukte trots, en een flinke knauw in mijn eigenwaarde vertrok ik toch uit onderwijsland. Mislukking, was het stempel dat ik in mijn paspoort zette.

Voor leraren die het wel kunnen: én structuur bieden, én het kind achter de leerling zien, én alle regels zo buigen dat de kinderen er niet al te veel last van hebben (en toch de inspectie een kluif kunnen toewerpen waar ze op kunnen kauwen), voor die leraren maak ik een diepe, hele diepe buiging.

Ik dook mijn oude baan als trainer in. Want voortdurend op de achtergrond, was dit simpele en benauwende feit: ik ben kostwinner. Er moet brood op tafel.

Terug in ’trainerstad’ ontdekte ik dat ik in een dorp thuis hoor.

Ik sprak met mijn bange kind. Toneel spelen, wilde het, verhalen vertellen. Anderen laten zien wat hij alleen kon zien. En ja, daar was hij ook bang voor, maar samen met mij durfde het kind dat wel aan.

Bang ben ik nog steeds, heel erg bang soms (er moet nog steeds brood op tafel), maar ik woon nu in een dorp, waar ik iedereen ken, en dat geeft moed.

Dit is de geschiedenis van de Bruyn, leraar maatschappijleer, die optreedt als figurant in mijn theater.

 

Dat was in 2005.

Inmiddels heb ik de Vallei ontdekt. Een heel mooi dorp in onderwijsland waar ik me thuis voel.

hansje pansje kevertje

Maar dan in het engels: itsy bitsy spider.

Even een mini hink stap sprong: (ofwel wat heeft Robert Redford met Jack Nicholson met Meg Ryan, Meryl Streep en vervolgens Carly Simon te maken?

Het begint bij Richard Nixon. De grote politieke boef toen ik jong was. Het eerste grote politieke schandaal: Watergate. Alle volgende schandalen eindigen door dit voorbeeld op -gate.

Carl Burnstein was één van de twee journalisten die het schandaal naar boven brachten. Zo spannend dat er een film over gemaakt is: All The Presidents Men. Met Robert Redford en Dustin Hoffman.

Carl Burnstein was getrouwd met Nora Ephron. Schrijfster van o.a. romantische komedies, zoals When Harry Met Sally, waar Meg Ryan in één klap beroemd mee werd. (Wie kent niet de fake orgasm scene?)

Het huwelijk van Carl en Norah liep minder romantisch af. Daar schreef Nora een boek over: Heartburn, dat verfilmd werd met Jack Nicholson en Meryl Streep.

Kun je het nog volgen?

Goed want nu kom ik waar ik wil zijn.

De muziek van die film werd geschreven door Carly Simon.

De filmis meer bitter dan zoet. Maar prachtig is het eind, als Meryl Streep haar man verlaat, en met het dochtertje in het vliegtuig vertrekt. (In de film wordt de dochter gespeeld door de echte dochter van Streep) Ze zingen samen Itsy Bitsy Spider. En dan plotseling valt de warme stem van Carly Simon in die Coming Around Again zingt.

Ik kan die scene uit de film laten zien, maar waarom ik hier überhaupt over begin is de live versie van dit lied, met Isty Bitsy spider als toegift.

Ik kreeg kippevel toen ik het zag. Wat een mooie vrouw is Carly Simon, (en wat een beeld die wapperende kleren, en wat prachtig, die kinderen die mee komen zingen.

Het kan me niks schelen dat het cliché is, ik ben verkocht. Ik had tranen in mijn ogen. Call me sissy.

Nou vooruit, ook nog een keer de filmversie:

verhalen luisteren

Heerlijke zondag.

Die begint met die eenvoudige gezelligheid. Ieder met zijn eigen ding bezig, en toch plezier van elkaars aanwezigheid.

En toen de verhalenmiddag van de raad voor levensbeschouwing.

Ik was nieuwsgierig naar het verhaal vanuit het soefisme. Maar dat viel me tegen. Een mevrouw had “De samenspraak der vogels” samengevat op papier, en ze las dat voor. Misschien ben ik te streng (er heeft vast veel werk gezeten in dat samenvatten), maar dat vind ik geen vertellen. Ze deed het best goed, maar ik miste contact. Het hielp ook niet dat ze het papier voor haar mond hield. (Nee, ik kan niet spraakafzien, en toch helpt het mondbeeld me bij het verstaan.)

Heeft ook met verwachting te maken denk ik. Als het was aangekondigd als lezing over het boek, had het me misschien niet gestoord. Maar nu kwam ik voor verhalen.

Gelukkig was Adrie Gloudeman wel een echte verteller. Hij vertelde een baha’i verhaal over een herdersjongen, en begeleide zichzelf op de N’goni, een kalebas met 10 snaren.

Ooooh! Muziek die zomaar mooi klinkt met mijn CI’s. Simpel, elegant, en warm. Ik kon het timbre voelen. Heel bijzonder voor mij om zo’n muziekervaring mee te maken.

En het verhaal was mooi en teder. De verteller een echte verteller, die zijn verhaal leefde.

Thuis at ik de linzencurry met naan, die Fenna maakte.

Wat een zondag.

*spint*