getting on the stage

Ik heb met mijn dochters Brene Brown’s TED talk gekeken.

De jongste had op school met Engels en Nederlands ook leuke talks gezien, en toen wilde ik ze deze laten zien.

Leek me een boodschap om zo vroeg mogelijk te horen.

Ik kreeg zoals elke keer weer tranen in mijn ogen.

We zagen de tweede ook.

En daar heeft Brene het over “getting on the stage”.

O, help. Dat ga ik letterlijk doen. Maar de woorden van Brene geven me rust. Want als ik af ga, ga ik moedig af zondag. En er zijn alleen maar vrienden in de zaal.

Dus Wat er ook gebeurt. Afgaan is het woord niet.

 

Mensen in hun kracht zetten is mooi werk, maar ook half werk.

D’r zijn heel veel coaches.

Daar heb ik een beetje een vooroordeel over.

(Ja dat is projectie, maar projectie betekent niet meteen dat het dan allemaal maar meteen flauwekul is.)

Daar komt ie.

Ik denk dat veel coaches zelf een mooi proces hebben meegemaakt. En dat dat geleid heeft tot een enorme bevrijding.

En dat ze dat dan door willen geven. Een beetje verliefd nog op dat proces, willen ze er graag wat langer in blijven hangen.

Als ouders die een tweede of derde of vierde kindje willen, niet alleen vanwege het kindje maar omdat die babytijd zo leuk is.

En een manier om er mee bezig te blijven is om anderen in dat proces te helpen.

Niks mis mee.

Het is goed dat mensen hulp krijgen bij het vinden van de kracht in zichzelf.

Maar ik vind dat niet genoeg.

Ik vind het namelijk een beetje jammer dat het zo hard nodig is. Dat we de wereld met zijn allen zo ontoegankelijk maken dat mensen er op eigen kracht niet meer uit komen.

Dus wat je ook kunt doen, als je jezelf bevrijd hebt, is wat doen aan die andere kant.

Niet alleen blijven hangen, maar door gaan. Een mooiere wereld maken.

Laten we de wereld wat vriendelijker maken met elkaar. Laten we de mensen die niet zo makkelijk mee kunnen komen wat helpen. (Ja ik weet het wel, ze kunnen alleen zichzelf helpen. Maar daar zijn die coaches allemaal al mee bezig, en daar zijn er heel veel van.)

Jezelf helpen gaat ook beter als je daar wat hulp bij krijgt.

Jezelf aardig vinden gaat bijvoorbeeld een stuk makkelijker als je omgeving niet de hele tijd signalen stuurt dat je niet oké bent.

Dus in plaats van te wachten tot die anderen zo sterk zijn dat ze alles aan kunnen, kunnen we het wat minder moeilijk maken voor ze.

Hoe?

Gewoon aardig zijn.

Juist op die moment dat je je een beetje ergert. Want dat zijn de momenten dat je anderen de verkeerde signalen geeft. (Ja, verkeerd ja. Dat zijn namelijk die signalen waardoor die ander weer hele RET-trainingen nodig heeft, om te leren dat het niks met hem te maken heeft, maar dat het misschien wel komt door de vervelende bui van jou.)

Dat lukt vast niet in één keer. Je bent niet voor niks in zo’n bui. Maar geef jezelf en de ander dan een tweede kans. Kom er op terug. Leg uit dat het aan je bui lag. Maak het goed.

En als dat nóg te moeilijk is (wij hebben ook zo onze terugval momenten toch?) dan kun je beginnen met wat extra aardig te zijn op momenten dat je lekkerder in je vel zit. Dus als je iets leuks denkt, het dan ook meteen zeggen tegen die ander.

Waarom schrijf ik dit?

Ik ben zelf coach geweest.

Ik heb mensen gecoacht die in situaties zaten waarbij ik me schaamde dat ik alleen maar bezig was met mensen in hun kracht te zetten. “Hoeveel meer kracht moeten ze nog hebben om hier te overleven?”, dacht ik regelmatig. En: “Zit ik intussen niet het hufterige gedrag van anderen te legitimeren als ik mensen leer hoe ze daar mee om kunnen gaan?” en  “Waarom wordt er aan de andere kant niks gedaan?”

Mensen onafhankelijk maken is een illusie. We zijn niet onafhankelijk. (En ik denk dat  dat goed is. We zijn toch een samenlevening?) Prima, om mensen te leren weerbaarder te zijn. Maar er is een grens. Wat zegt het over een samenleving als je alleen overleeft als je super-weerbaar bent?

Dus vandaar.

Geweldig dus als iedereen leert dat ie zichzelf kan helpen, maar laten wij daarom met zijn allen niet achterover gaan hangen.

Goh, het lijkt wel een participatiemaatschappij.

angst en vertrouwen

Ik heb twee stemmen in mijn hoofd.

Nou ja, misschien meer, maar laat ik het even bij deze twee houden.

De angst en mezelf.

 

Eerst even over die angst.

De angst heb ik ook wel eens de interne saboteur genoemd. Die lijkt op de interne criticus, die ik hier noem. Maar de saboteur wil me naar beneden halen, terwijl de criticus wil me wil helpen.

Soms denk ik wel eens dat die saboteur me er van weerhoudt een goed gesprek met mijn criticus te hebben. Dat kan, namelijk, een goed gesprek met mijn criticus. Ik heb dat een keer in een geleide fantasie gedaan.

In die fantasie stond ik als dirigent voor een groot orkest. Het was een zomerse dag en dat orkest was opgesteld in de ruïnes van een grote kathedraal. Het publiek was van alle kanten toegestroomd. Ik stond met mijn dirigeerstokje klaar, en draaide me om naar het publiek.

En toen kwam, door het gangpad, mijn criticus aanlopen. Ik durfde niet te kijken, en wilde dat hij weg ging. De begeleider van de fantasie vroeg me om hem dichterbij te laten komen. Dat deed ik, en tot mijn verbazing zag ik dat ik het zelf was. Ik keek niet streng, maar bezorgd. En mijn boodschap aan mezelf was: Jacob Jan, het is prachtig wat je wil. En je moet het ook doen. Maar nu ben je er nog niet klaar voor. Ik deed mijn ogen open en liet de tranen stromen.

De saboteur werkt anders. Die praat niet rechtstreeks tegen me. Het zijn vage suggesties die hij doet. Bijna altijd in de trant van : het is niet goed genoeg, houd er maar mee op. Geen stem maar een gevoel. Een dof gevoel, meer nog een afwezigheid van gevoel, dat zorgt dat ik de stem van mezelf niet meer kan vinden.

 

En dan is er mezelf.

Die heb ik teruggevonden tijdens een meditatieweekend. In deze blogpost schrijf ik daar over. Het gedicht in die post heb ik naar aanleiding van dat weekend geschreven.

Bij die ontdekking liep ik naar buiten, ging op mijn rug liggen in het gras, en toen ik overeind kwam was het alsof ik mezelf zag zitten, in het gras, tegenover me.

Ik keek vol liefde naar mezelf.

Nu nog steeds kan ik dat naar voren halen. Soms vraag ik of ik er nog ben, en als ik ruimte heb om te luisteren hoor ik : “altijd”. En altijd gaat er bemoediging uit van mezelf. Altijd is er lucht. Mezelf neemt mij niet zo serieus, en dat is fijn. Ik voel altijd plezier en vertrouwen, als ik met mezelf spreek.

En er komen woorden. Het bijzondere is dat er dingen komen die voor mij verrassend zijn.

 

Soms slinger ik heen en weer tussen die twee uitersten.

Tussen het doffe niet-gevoel van angst, en het blakende blije vertrouwen.

De eerste keer dat ik zo’n angstperiode opzij duwde dacht ik dat het voorgoed was. Nu weet ik dat hij waarschijnlijk nooit helemaal weg is, en altijd weer de kop kan opduiken.

Zo hard dat mijn saboteur tijdens zo’n angstperiode, de suggestie “je lijkt wel bipolair” in mijn hoofd zet.

Gelukkig zijn de angstperiodes korter. Ik vind altijd ergens een manier om het af te schudden. Door te dansen bijvoorbeeld.

 

Deze week wisselen angst en vertrouwen elkaar met een rotvaart af.

En de angst kent gemene iteratieve truukjes. Wat nou, als je vertrouwen niet op tijd terug is? Zondag heb je hem nodig! Wat nou als zondagavond de angst zo hevig toeslaat dat je helemaal dicht slaat?

De angst, die me bang maakt voor de angst.

“Hou het niet binnen”, zegt mijn vertrouwen: “Praat er over, schrijf er over. Breng het in het licht. En dan kun je het zien voor wat het is . Hele ingenieuze, maar ook hele kleine onbetekende wriemeltjes die verwoede, maar hopeloze pogingen doen.”

Ik zie ze, in mijn handpalm, kronkelend, als vissen op het droge. Als ik blaas zijn ze weg.

“Mooi”, zegt mijn criticus:  “maar dat betekent niet dat je nu achterover kunt gaan hangen. Zorg dat je goed voorbereid bent. Maak een lijstje van alles wat je nog moet doen.”

Now we’re talking.

En mezelf voegt er aan toe :

“Vergeet niet te genieten, en zelfs als je het vergeet. Niks aan de hand. Ik ben er bij, en ik vertel je na afloop wel hoe heerlijk het was.”

 

 

 

 

Meten is doden

Al heel vroeg heb ik de carrière van mijn zoon uitgestippeld.

Ik had door dat er in de techniek nog brood te verdienen zou zijn, dus probeerde ik het met computers. Dat lukte niet, maar gelukkig kon ik hem warm krijgen voor Scheikunde.

Vriendinnetjes van hem, die niet iets in de techniek deden ontmoedigde ik met succes, want dat leidt maar af. Hij heeft er nu eentje die geneeskunde doet. Daar doe ik het maar mee, je kun niet al te kieskeurig zijn.

Nu nog zorgen dat hij promoveert.

Dan kan ik het loslaten. Dan is het tijd om plannen voor mijn kleinkinderen te maken, je kunt niet vroeg genoeg beginnen.

Belachelijk?

Ja, maar waarom doen we met zijn allen dan vergelijkbare dingen?

Werkgevers maken functieprofielen, en zoeken net zo lang tot ze iemand vinden die daar voor 100% in past.

Voor opleidingen zetten we de eindtermen vast, en we vinden opleidingen pas goed als alle leerlingen die eindtermen halen.

Voor alles wat je onderneemt maakt je een plan, heb je een doel. En je bent pas geslaagd als je dat doel weet te halen.

Zelfs uitgevers willen alleen nog maar investeren in schrijvers waarvan ze van te voren weten dat die succesvol zullen zijn. En of zo’n schrijver van zijn succesvolle boek dan alsjeblieft een serie wil maken.

En als ik de vrouwenbladen mag geloven stellen we een hele lijst eisen op voor onze toekomstige partner.

Onze hele maatschappij richten we in op basis van voorspelbaarheid.

En wat we niet kunnen voorspellen, verbieden we, of we verzekeren het (al dan niet verplicht).

Het enige dat we nog aan de ander zien, is alles wat niet aan die voorspelbaarheid voldoet, vooral in negatieve zin.

We zien dus wat iemand niet kan, in plaats van wat iemand wel kan.

Welk bedrijf probeert in een gesprek het beste uit een sollicitant te halen, en durft daarbij de eigen eisen even opzij te leggen? Omdat ze nieuwsgierig zijn naar manieren waarop deze sollicitant een bijdrage kan leveren? Manieren waar het bedrijf zelf nog niet aan heeft gedacht?

Welke school is er nog écht op gericht het mooiste van het kind tot ontwikkeling te brengen? Dat mooiste in een kind, uit zich in precies dát gedrag waar scholen juist het meeste moeite mee hebben. Dat mooiste wordt ontmoedigt, of zelfs geweerd.

Wie zegt er nog ja, tegen een waanzinnig plan?

Nee, we blijven gokken op de voorspelbaarheid.

De data worden steeds bigger, en ze zeggen steeds minder.

Meten is niet weten.

Meten is schijnweten.

Meten is alleen maar zien wat je wil zien.

Meten is je meetlat heilig verklaren.

Meten is weggooien van alles wat je niet kunt meten. En dat is nog al wat.

Meten is doden. Creativiteit doden.

(Nee dat rijmt niet, als je per se iets op rijm wil: “Keten is weten”)

Stop met meten, gooi de meetlat weg, maak je hoofd leeg en begin met kijken, luisteren, voelen, proeven, ruiken.

Elke keer opnieuw.

En keet eens wat vaker.

 

 

 

 

Blogger, als je gelezen wil worden

Als je blogt, doe me dan een lol.

Blog eerst over wie je bent,

blog daarna pas over je kennis.

En als je dan toch over je kennis blogt …

…kijk dan eerst even of het niet al ergens staat.

Het is zo vreselijke saai om weer dezelfde informatie te lezen, weer dezelfde lijstjes.

Ah, je mening.

Je wil je mening bloggen.

Als je die mening niet verwart met je kennis . . . prima! 

Dat is hetzelfde als jezelf laten zien. Wees daar dus dan wel even duidelijk in hè? Dat het gewoon alleen maar jouw mening is.

Geef die mening gewoon. Niet overtuigen. Nergens voor nodig. Andere mensen kunnen zelf denken. En voor je het weet trap je in de valkuil van de drogredenen. En dan ben je me kwijt, helemaal. (En niet alleen mij, vermoed ik. Ik denk dat je alleen ja-knikkers over houdt. Wil je dat?)

Een mening geven is een mening geven. Ik mag daar mee doen wat ik wil, alsjeblieft. Net zoals jij je ook niets hoeft aan te trekken van wat ik hier schrijf.

Oja, en dan ophouden met die pop-ups en de e-books-met-de-nep-voorkantjes. En wat je in je nieuwsbrief schrijft kun je ook gewoon op je blog schrijven toch? Hoef je ook niet net te doen alsof je het persoonlijk aan mij richt.

Kijk, als je een e-book voor me hebt met mooie verhalen, of een roman, prima.

Als je een e-book hebt met e-weetjes en e-tips…

nee, dank.

Als ik dingen wil weten die belangrijk zijn, lees ik over wat mensen meemaken, of ik lees een goed verhaal. (Nee geen story!)

Tip voor zakelijke bloggers: als je dit nu gewoon zo doet hoef je straks geen seminar meer te volgen over hoe je meer persoonlijk en klantgericht kunt communiceren. Scheelt weer.

 

 

Alan Garner, bijzondere boeken.

AlanGarner_Strandloper  thursbitch  owlservice  redshift

Ik heb nu bijna al zijn boeken gelezen.

Wat een bijzondere schrijver.

Ik heb al eerder over hem geschreven.

Het begon met een kinderboek (the moon of Gomrath) dat ik als kind ooit las (in vertaling), en dat me de stuipen op het lijf joeg. Het voelde alsof de magie in dat boek echter was dan sprookjesmagie, en ook het gewone leven binnen kon sijpelen. Nou ja, dat had ik al geschreven.

Alan Garner heeft na die kinderboeken, ook geschreven voor oudere jeugd, en tenslotte voor volwassenen.

The owl service” gaat over 3 pubers die een eeuwenoude Welshe legende opnieuw beleven. Alsof deze legende een script is, dat ze wel moeten volgen. Beklemmend mooi.

In “Red shift” lopen drie verhalen uit drie tijden door elkaar heen. Ze hebben op een magische manier met elkaar te maken.

Thursbitch” is het verhaal van een landschap. Uitgangspunt is een steen met de inscriptie  “Here John Turner was cast away in a heavy snow storm in the night in or about the year 1755.” Ook hier lopen weer twee tijden door elkaar heen. Tijden die elkaar via het landschap raken.

Strandloper”  heb ik net uit. Dat gaat over een Engelse man die naar Australië gedeporteerd wordt en 30 jaar bij de aboriginals leeft.

De boeken zijn moeilijk toegankelijk. Garner heeft alles gestript. Alleen het absoluut noodzakelijke is blijven staan. Ze zijn ook dun. Lange dialogen, waarbij je soms heel goed moet opletten wie wat zegt. Ze lezen als een gedicht. De betekenis komt niet alleen via de woorden binnen. De taal is mooi en ritmisch.

Ik denk dat ik ze nog een keer moet lezen om ze echt te begrijpen, en toch was het nu al een bijzondere ervaring.

Wat ook bijzonder is dat alle verhalen zich afspelen in Cheshire, waar Garner geboren is, en waar zijn familie al heel lang woont. Dat land speelt een belangrijke rol. Ik wil daar graag een keer naar toe. Een fan heeft een kaart gemaakt in Google maps, met alle plaatsen uit de boeken. (En hier nog een specifiek voor Thursbitch)

Waarom deel ik dit? Niet omdat ik vind dat je de boeken moet gaan lezen. Ik vermoed dat het voor veel mensen onbegrijpelijke en wazige kost is. Als je van vreemd, bijzonder en enigszins ontregelend houdt, dan raad ik ze van harte aan.

De boeken doen wat met me.

Een aantal van mijn blogs zijn door deze boeken beïnvloed.

Deze bijvoorbeeld, en deze.

Laat ik eens vertellen waar ik mijn inspiratie zoal vandaan haal, dacht ik.

PS  Ik heb inmiddels Thursbitch bezocht, schitterend landschap. Ik heb de plek gezien waar de hoofdpersoon schuilde en stierf.

Ik heb nu ook eindelijk The Stone Quartet dat niet meer verkijgbaar was, en gelukkig toch weer opnieuw gedrukt is.

En hier staat mijn verslag over zijn nieuwste: Boneland

Niet nieuwste. Binnenkorte 28-10-2021 verschijnt Treacle Walker

De onverteerbare bijbel

Een onverteerbaar bijbelverhaal.

Voor mij dan.

In mijn tweede ‘preek’, dan hebben we dat tenminste maar gehad.

Het boek Jozua.

Wat vooraf ging:

Mozes heeft de Joden Egypte uit gekregen. Dat is bekende kost, denk ik. En vlak voor ze het beloofde land in kunnen, sterft hij.

Dat is ook al een beetje een gemene streek van God, maar daar kan ik me nog wat bij voorstellen.

Daar kan ik nog een beeld bij maken.

Dat je iets groots waar je aan werkt niet af ziet. Dat je beseft dat het niet om het resultaat gaat, maar om de manier waarop je met elkaar hebt gedaan. Dan zie ik Juul Martin voor me als groot voorbeeld, die ondanks het afbranden van het huis van overvloed, het project geslaagd noemt, en de viering door laat gaan.

Het verhaal gaat verder. Jozua volgt hem op en die leidt het volk het beloofde land in.

Alleen was dat al bezet. (Goh, waar  doet me dat aandenken? Nee, laat ik er geen politiek praatje van maken.)

Jericho is de eerste stad die ingenomen moet worden. Zevenmaal gaan de priesters rond de stad. Zeven maal klinkt de ramshoorn. Dan wordt er geschreeuwd, en de muren storten in. Ook daar kan ik nog mystiek in vinden, als ik wil.

Maar dan . . .

. . .wat er vervolgens gebeurt vind ik onbeschrijfelijk. Nou ja, onbeschrijfelijk, de bijbel doet het gewoon, heel kort en zakelijk:

Jozua 6:21      en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels.

Dit en vele andere passages, zijn voor mij zwarte bladzijden in de bijbel.

Ik kan er niets moois van maken.

Ik kan niet leven met een God die voor één volk kiest, en het andere gewoon laat uitmoorden.

Genocide in opdracht van God.

Dat is waarom ik al die mensen die tegen godsdienst zijn, zo goed kan begrijpen.

Maar goed, ontkennen dat het er in staat helpt geen ene moer.

De waarheid is dat ik niet weet wat ik er mee moet.

Ik geloof eerlijk gezegd niet dat God zoiets zou doen. Maakt dat van mij dan geen atheïst?

Nee, want ik wil God niet met het badwater weggooien.

Wat dan wel?

Nogmaals, ik weet het niet.

Het leert me in ieder geval relativeren.

Jammer dat de Islam-bashers niet wat beter in de bijbel lezen. Dan zouden ze zien dat die joods-christelijke cultuur die ze zoveel beter vinden even gruwelijke passages in zijn oer verhaal heeft staan. En ik snap ook dat moslims zich afvragen waarom ze zich steeds moeten verantwoorden voor terroristen die zich baseren op ongelukkige passages in de Koran. Wij hoeven toch ook niet elke dag overal te roepen dat we afstand nemen van dit soort passages?

Nou niet aankomen met het verhaal dat het tweede testament dit allemaal goed maakt. Dat komt mij een beetje te dicht in de buurt van christenen die roepen dat ze beter zijn dan Joden. Bovendien zegt Jezus ergens dat elke tittel en jota van kracht blijft.

Nee, dat oude testament hoort er nu eenmaal bij. Al had ik gewild de redacteurs destijds een paar andere beslissingen hadden genomen.

Nee, dat is te makkelijk. Niet wegkijken. Niet gladstrijken. Leven met het feit dat ik geen antwoorden heb.

Misschien Dovstojevski nog eens lezen.

 

 

En noem het alsjeblieft niet mediteren

Zing wat  meer.

Wiegeliedjes

tel liedjes.

Doedel wat vaker

met je lijf.

Waardeer het niksen.

Want alle zinloze handelingen 

hebben de schoonheid van een ballet.

Als we het maar konden zien

en voelen.

Voelen vooral.

Zet je muziek eens uit

en luister naar de muziek

van je lijf.

Of naar de stilte ervan.

En noem het alsjeblieft niet mediteren of yoga.

 

 

 

 

 

Ik krijg hier spijt van

Ik zou het niet meer doen.

Reageren op vervelende dingen die GeenStijl schrijvers doen.

Maar ik kan er soms niet tegen.

Niet lezen, zeg je?

Doe ik al. Zo veel mogelijk.

Maar soms sijpelt er eentje tussen door. Omdat iemand retweet.

En dat is goed. Want kop in het zand steken is ook niet goed.

Het gaat niet om gescheld. Dat is plat, maar ongevaarlijk.

Het gaat om het gemanipuleer.

Annabel Nanninga stelt hier een vraag. En ze zegt dat ze over integriteit wil praten. Heel beleefd, lijkt het.

Maar dit is geen vraag. Dit is een aanval. Dit is bedoeld om Femke de hoek in te krijgen. Dit is polariseren.

En dan zelf de vermoorde onschuld spelen.

Bah.

Wat vind ik dat heel erg niet integer.

Het gaat me helemaal niet om de discussie zelf. Het gaat me om de manier waarop Geen Stijl (en alles wat daar op lijkt) de discussie viert. (ja dat is een typfout, maar ik laat hem staan)

Manipulatief tot en met.

Het doet me denken aan treiteraars op school die een klasgenootje uitdagen. En als ze succes hebben meteen de vinger opsteken en roepen: “Meester, kijk eens wat zij doet? ” 

(Beetje psychologiseren? Dat komt misschien wel omdat Femke het brave meisje van de klas is, dat alle aandacht van de meester krijgt. En toegegeven: de toon van Femke is ook een beetje Hermelien-achtig. Maar dat rechtvaardigt niet dat je dan moedwillig ruzie gaat zoeken.)

En een keertje vond ik dat ik niet mijn mond moest houden. En dus heb ik Annabel geantwoord dat ik het geen integere vraag vond.

Terwijl ik best weet wat er gaat gebeuren.

Ik word genegeerd. Of ik word als idioot weg gezet.

Dat is beiden niet erg.

Wat erg is dat het geen donder helpt.

Wat ook erg is dat er geen één praatprogramma is, die een vinger legt op dit soort non-communicatie. Die gasten terechtwijst als ze zich hier aan bezondigen.  Integendeel, ze gooien olie op het vuur want dat levert lekkere televisie op.

Nog eens bah.

Want zo gaan we het gewoon vinden dat mensen taal misbruiken om anderen in een hoek te krijgen.

Maar het helpt geen donder dat ik dit schrijf.

Dus krijg ik spijt.

Dat ik een tweet en een blog verspild heb.

Nou ja, een blog..

ik wist toch even niks te schrijven.

Dus dat scheelt dan weer.

 

Hoe het wel kan, eerlijk dicussiëren?

Dat kun je hier lezen. 

 

Afscheid van muziek, de CD years.

Met mijn CI’s klinkt muziek niet meer zoals het moet klinken.

Mijn eigen oude grijsgeraaide muziek, daar kan ik nog wat van maken. Daar laat ik in mijn hoofd gewoon de geluidsband meelopen. En samen is dat nog wel wat. En vaak doen ik het alleen met die geluidsband in mijn hoofd.

Zo heb ik een aantal oude elpee’s in de hand genomen. Dat leverde de serie “Afscheid van muziek”op. Die kun je hier terugvinden.

Tijd voor af en toe een aflevering uit deel 2:  “The CD years” (grofweg tussen 1986 en 1991)

In 1991 werd mijn oudste geboren. Tijd voor nieuwe muziek was er niet. Met vier kinderen duurde die periode ongeveer tot 2000. Maar de achterstand op de muziekwereld was al niet meer in te halen. Ik heb nog korte tijd het begin van de muziek van mijn oudste kinderen meegemaakt. System of a Down,  Inflames via mijn zoon en James Blunt via mijn dochter.

Ik ben ook aan het werk aan serie 3:  “The CI years” muziek die ik voor het eerst met mijn CI hoor. Ik heb van mijn nog thuis wonende dochters een playlist gekregen. (Stevige Rock, de jongste twee zijn muzikaal opgevoed door mijn zoon) Daar ga ik proberen chocola van te maken.

 

Maar nu eerst:

 

de eerste aflevering van de CD years.

 

Paolo Conte Aqualano

aquaplano

 

Uit 1987.

Ik ben een beetje kinderachtig over iets wat ik zelf niet heb uitgevonden. Als iets een hype is, wil ik er al niet meer aan mee doen.

(Ja stom, bovendien gaat het helemaal in tegen mijn oproep om inclusiviteit. Ik beloof beterschap)

Vreemd genoeg had ik daar hier geen last van. Ik leerde samen met de massa Paolo Conte pas kennen van “Max”, en die CD kocht ik dus.

Ik liep in die dagen stage, en fietste elke dag langs de Rijn van Wageningen naar Arnhem.

Prachtige route, links de heuvelrug met de bossen, rechts de uiterwaarden en de Rijn. En terug andersom natuurlijk.

Met Paolo Conte in mijn oren.

Die paste bij dat mooie landschap.

De trappers die draaien op het ritme van

tetak tetoem te tak tetoem

Daarboven de sprankelende piano tonen die de melodie introduceren, precies passend in dat ritme.

Dat alles op een bedje van violen.

En dan die krakerige, omvloerse stem. Zo klinken alle stemmen nu voor mij. Dus Paolo heeft weinig te leiden van de misvorming van mijn CI’s.

Het werd lente. De uiterwaarden werden elke fietstocht groener, en het voelde alsof ik dwars door mijn dromen fietste.

Deze muziek is voor altijd verbonden met dat stukje Nederland.