Ik heb twee stemmen in mijn hoofd.
Nou ja, misschien meer, maar laat ik het even bij deze twee houden.
De angst en mezelf.
Eerst even over die angst.
De angst heb ik ook wel eens de interne saboteur genoemd. Die lijkt op de interne criticus, die ik hier noem. Maar de saboteur wil me naar beneden halen, terwijl de criticus wil me wil helpen.
Soms denk ik wel eens dat die saboteur me er van weerhoudt een goed gesprek met mijn criticus te hebben. Dat kan, namelijk, een goed gesprek met mijn criticus. Ik heb dat een keer in een geleide fantasie gedaan.
In die fantasie stond ik als dirigent voor een groot orkest. Het was een zomerse dag en dat orkest was opgesteld in de ruïnes van een grote kathedraal. Het publiek was van alle kanten toegestroomd. Ik stond met mijn dirigeerstokje klaar, en draaide me om naar het publiek.
En toen kwam, door het gangpad, mijn criticus aanlopen. Ik durfde niet te kijken, en wilde dat hij weg ging. De begeleider van de fantasie vroeg me om hem dichterbij te laten komen. Dat deed ik, en tot mijn verbazing zag ik dat ik het zelf was. Ik keek niet streng, maar bezorgd. En mijn boodschap aan mezelf was: Jacob Jan, het is prachtig wat je wil. En je moet het ook doen. Maar nu ben je er nog niet klaar voor. Ik deed mijn ogen open en liet de tranen stromen.
De saboteur werkt anders. Die praat niet rechtstreeks tegen me. Het zijn vage suggesties die hij doet. Bijna altijd in de trant van : het is niet goed genoeg, houd er maar mee op. Geen stem maar een gevoel. Een dof gevoel, meer nog een afwezigheid van gevoel, dat zorgt dat ik de stem van mezelf niet meer kan vinden.
En dan is er mezelf.
Die heb ik teruggevonden tijdens een meditatieweekend. In deze blogpost schrijf ik daar over. Het gedicht in die post heb ik naar aanleiding van dat weekend geschreven.
Bij die ontdekking liep ik naar buiten, ging op mijn rug liggen in het gras, en toen ik overeind kwam was het alsof ik mezelf zag zitten, in het gras, tegenover me.
Ik keek vol liefde naar mezelf.
Nu nog steeds kan ik dat naar voren halen. Soms vraag ik of ik er nog ben, en als ik ruimte heb om te luisteren hoor ik : “altijd”. En altijd gaat er bemoediging uit van mezelf. Altijd is er lucht. Mezelf neemt mij niet zo serieus, en dat is fijn. Ik voel altijd plezier en vertrouwen, als ik met mezelf spreek.
En er komen woorden. Het bijzondere is dat er dingen komen die voor mij verrassend zijn.
Soms slinger ik heen en weer tussen die twee uitersten.
Tussen het doffe niet-gevoel van angst, en het blakende blije vertrouwen.
De eerste keer dat ik zo’n angstperiode opzij duwde dacht ik dat het voorgoed was. Nu weet ik dat hij waarschijnlijk nooit helemaal weg is, en altijd weer de kop kan opduiken.
Zo hard dat mijn saboteur tijdens zo’n angstperiode, de suggestie “je lijkt wel bipolair” in mijn hoofd zet.
Gelukkig zijn de angstperiodes korter. Ik vind altijd ergens een manier om het af te schudden. Door te dansen bijvoorbeeld.
Deze week wisselen angst en vertrouwen elkaar met een rotvaart af.
En de angst kent gemene iteratieve truukjes. Wat nou, als je vertrouwen niet op tijd terug is? Zondag heb je hem nodig! Wat nou als zondagavond de angst zo hevig toeslaat dat je helemaal dicht slaat?
De angst, die me bang maakt voor de angst.
“Hou het niet binnen”, zegt mijn vertrouwen: “Praat er over, schrijf er over. Breng het in het licht. En dan kun je het zien voor wat het is . Hele ingenieuze, maar ook hele kleine onbetekende wriemeltjes die verwoede, maar hopeloze pogingen doen.”
Ik zie ze, in mijn handpalm, kronkelend, als vissen op het droge. Als ik blaas zijn ze weg.
“Mooi”, zegt mijn criticus: “maar dat betekent niet dat je nu achterover kunt gaan hangen. Zorg dat je goed voorbereid bent. Maak een lijstje van alles wat je nog moet doen.”
Now we’re talking.
En mezelf voegt er aan toe :
“Vergeet niet te genieten, en zelfs als je het vergeet. Niks aan de hand. Ik ben er bij, en ik vertel je na afloop wel hoe heerlijk het was.”