Heb ik verdikkie tóch een niche te pakken

“Dit gaat geen volle zalen trekken.”

Schrijft Steven Gort.

En hij heeft gelijk, denk ik.

Het is geen kritiek. Het is de constatering dat ik een compact theater maak, dat soms net zo’n worsteling is als ik die met klassieke boeken heb.

Ik ervaar het als compliment. Want hij zegt er achteraan:

“Daarvoor is het te kostbaar. Te fragiel. In beleven. In begrijpen. In willen ondergaan.”

Ik neem je niet zo makkelijk mee, met mijn theater, maar ik neem je wel een stuk verder mee.

En dus wordt het zoeken naar publiek.

Want dat wordt straks één van mijn acties na de 25e. Als ik mijn tot nu toe laatst geplande try out speel.

Geleerde lessen op een rij.

Beter leren spelen, nóg meer loskomen. Nou ja, gewoon nog heel erg veel leren van het theatervak. Ik kom net een beetje in de bewust onbekwame fase, wat dat betreft.

Goede afspraken met theaters maken.

Kijken naar de prijs van het kaartje (want goede afspraken kosten geld)

En kijken waar ik mijn publiek vind.

Heb ik tóch zo maar een niche te pakken. Want mijn voorstelling is niet voor iedereen. Het is niet een avondje achterover hangen, en je laten vermaken. Het is hard werken, ook voor het publiek, heb ik inmiddels door.

Wel werk wat je genoegdoening geeft. Het kost wat, maar dan krijg je ook wat.

Dát publiek heb ik nodig.

Die niche.

(Rivella, noemde iemand mij ooit: beetje vreemd, maar wel lekker)

En misschien, heel misschien ga ik wat minder bloggen, om wat geconcentreerder te worden. Ook hier op mijn blog.

Om hier ook diezelfde compactheid te krijgen. Dan weten mensen wat ze aan me hebben.

Oejee, ga je dan een buitenkantje bouwen? Een merk?

Nee, dat ga ik niet. Ik ga stileren. En stileren kost tijd. Ach! Wat nou! Ik heb nog helemaal niks beslist. Dus vergeet die opmerking over dat stileren nou maar even. Dat heb ik niet gezegd, oké?

Ze waren er toch een beetje bij

Wat een verschrikkelijk cliché.

Maar elk cliché verandert in iets levends als het je aanraakt.

Ze waren er toch een beetje bij, mijn ouders gisteren.

In de zaal zat veel vroeger.

Mijn buurmeisje uit Beetsterzwaag, uit mijn Jip en Janneke tijd, zeg maar.

Mijn twee broers.

Vrienden van mijn ouders.

Jan, uit Wageningen, mijn oude studentenflat.

Maar mijn ouders zijn al dood, en konden niet komen kijken.

Ik geloof niet in een hemel, als een soort balkon waarop mijn ouders zaten mee te kijken.

En toch waren ze er. Mijn moeder die altijd uitgesproken trots was op haar kinderen (letterlijk, dank mam, dat je het zo vaak hardop zei). En mijn vader die voor mij als kind al een theater voor me bouwde.

 

DSCN1095

Steeds anders

Natkanenflipover

Een voorstelling spelen en toch het steeds anders beleven.

Oja, nog wat extra lessen:

– Bestel eerder eten. Dan kun je die Pizza’s laten bezorgen op een tijdstip dat vóór de aanvang van de voorstelling ligt, en hoef je niet een half uur bij een frietboer staan wachten (en jezelf opvreten) die op een hele drukke avond besloten heeft alles in zijn eentje te doen.

– Test de beamer eerder.

– Bestel een verlengsnoer voor de beamer.

– Let op welk stopcontact je gebruikt in een theater. Niet alles is gewone netstroom. (En dank Bob, die me hier op wees voordat ik mijn ringleiding aan gevaar bloot stelde.)

En dan, toch weer de rust vinden. Al was het hard werken in het begin. Want dit publiek keek zo geconcentreerd dat ik eerst dacht : “ze reageren niet”. 

Maar ze reageerden wél! Maar anders. Concentratie, voelde ik op een gegeven moment, aan beide zijden van de lampen. Mooi. Anders is dus niet verkeerd. Daar kan ik volgende keer op vertrouwen.

En bijzonder van vanavond was, dat Natka nog meer aanwezig leek. Ik voelde haar. Ik speelde haar niet, ik wás haar. Fijn.

En weer bedankt mensen van het Prinsentheater. Jullie waren fijn om mee te werken.

Jacob

DSCN2349
Visioen na de preek (detail), van Gauguin

 

De Jacob uit de bijbel is voor de helft mijn naamgever.

Via mijn familie, dat wel. Ik ben naar mijn beide opa’s genoemd, en niet rechtstreeks naar een bijbels persoon.

En toch past die Jacob goed bij me.

Wat ik zo mooi vind aan de bijbel zijn de verschillende manieren waarop de mensen omgaan met dat wat groter is den henzelf. (In de bijbel heet dat grotere: God.)

Abraham gehoorzaamt, zonder vragen. (Maar onderhandelt vervolgens stevig, om de mensen uit Sodom en Gomorrah te redden.)

Jona, loopt in eerste instantie weg, als hij geroepen wordt.

Mozes protesteert, en wil eerst het naadje van de kous weten voordat hij in actie komt.

En Jacob?

Die wacht niet tot hij geroepen wordt. Hij gaat zijn levensopdracht halen. Hij steelt hem met list en bedrog uit handen van zijn oudste broer.

Dat lijkt op mij.

Ik heb ook niet de rust om te wachten op mijn roeping. Ik ben steeds bezig die roeping zelf vorm te geven.

Al die banen die het net niet waren, daar ben ik in gestapt alsof ik er door geroepen werd. Mezelf voor de gek gehouden? Misschien.

En hoe zit het met dat theater dan?

Goede vraag.

Dat theater voelt goed. Geen twijfels. (Nou ja, behalve de eeuwige twijfel of ik goed genoeg ben.) Ik ga die weg verder op. Goed is iets dat je ook kunt worden.

Maar het is tegelijk een weg waarvan ik niet weet waar die uit komt.

Ik wil de bestemming open houden. Hoewel ik dat niet kan. Hoewel ik dat misschien zelfs niet eens wil.

Dat is mijn worsteling met God. Opnieuw net als Jacob, die worstelde letterlijk met God (of een engel, afhankelijk van de interpretatie van de tekst).

Mijn worsteling is dat ik me graag, heel Zen-achtig, over zou willen geven aan dat wat op mij pad komt, maar dat ik het tegelijkertijd helemaal niet kan. Ik steek elke keer mijn eigen plannetjes, en mijn ideeën over hoe het dan wel moet gaan, tussen de spaken van het levensrad.

Dat is mijn strijd, mijn weg. Een pad dat slingert tussen overgave en strijdlust.

“Waarom?”, vraag je je misschien af. “Maak je eigen weg! Creëer je leven. Zonder dat vage gedoe over bestemming.”

Nou, vanwege dat mezelf voor de gek houden. Ik kan tamelijk kort door de bocht ergens enthousiast over zijn en dan doordrammen tot ik het heb. Gevaarlijk korte-termijn-duiveltje, is dat. Weet je nog die banen, die het net niet waren? Dat dus.

Nee, ik geloof niet in lotsbestemming. Ik geloof wel in open staan voor dingen die groter zijn dan jezelf. Omdat jezelf soms een iets te beperkte blik heeft.

(Die drammer in mij heeft ook een functie trouwens. Hij heeft een plekje gekregen in dit verhaal)

Ik ga volgende week eens kijken hoe Johannes daar mee om gaat. Want dat is mijn andere naamgever.

 

 

 

 

 

Van wie ik leer: Mary Sjabbens

Omdat ze luistert, stil staat, en verhalen vindt van bijzondere mensen. En vervolgens die mensen een podium geeft.

En een hart.

En dan lees ik in haar laatste blog dat ze daarbij misschien wel over haar eigen grenzen gaat.

En dan zou je kunnen denken dat het juist een valkuil is, zo’n groot hart. Dat je het gevaar loopt je te laten gebruiken. Dat je te goed bent.

Nee.

Een hart kan nooit te groot zijn. Een mens kan nooit te goed zijn.

Dit is een hele bijzondere kracht van Mary, een oerkracht.

En die grenzen die leert ze heus wel kennen. En dan zul je zien dat een Mary mét grenzen nog steeds een grenzeloos groot hart heeft, een hart dat nóg meer mensen bereikt.

 

 

 

 

aantutblog

Even een tante Betje blog er tussen door.

Gisteren (gisteren? ja het is inmiddels gisteren) naar de premiere “Dummy Jim” geweest.  @BiancavdHorst had vrijkaartjes geregeld, en ik kreeg het tweede kaartje van @RenskeHolwerda. Dus beiden, dank.

Bijzondere film over een bijzondere man. Heel beeldend, dus erg rustgevend om naar te kijken. En nog in the Eye ook (met een winkeltje met filmspullen!). Hier ga ik een keer met Fenna naar toe, neem ik me voor.

Vanmiddag heb ik de eerste ontmoeting met mijn ‘maatje’. Ik had me voor de zomervakantie opgegeven voor het maatjesproject (dat je het even weet, dus nog voordat ik van de term particpatiesamenleving had gehoord). Een dagdeel in de week samen iets doen met iemand met een verstandelijke beperking. Een middag gewoon lekker zijn, en verder niks. Lijkt me mooi voor iemand met zo’n doorloopkop als ik.

En dan ga ik twee dagen naar Brugge om de stad te zien.

Daar ga ik de Vlaamse primitieven bekijken. Jammer genoeg hangt Bruegel er niet, maar Jan van Eijck schijnt ook bijzonder te zijn.

Het wordt dus even rustig hier.

Ik denk dat ik pas zondag weer schrijf. Heb het goed.

Elkaar een Zwarte Piet maken

Woord vooraf.

Wat ik hier wil schrijven staat vele malen beter uitgelegd in een artikel van Bas Heijne op NRC.nl. Dit is de link: http://www.nrc.nl/heijne/2013/10/20/pijn-2/

En deze is nog mooier: http://dylanvanrijsbergen.nl/2013/10/13/sinterklaas-zwarte-piet-en-onze-beleving/

(Ik kom hiermee deze belofte na.)

Ik ga niet weghalen wat ik zelf schreef. Maar wat hier onder staat is tamelijk overbodig als je het artikel van Bas gelezen hebt. Dus als je jezelf de moeite wil besparen, mijn zegen heb je.

 

 

Er moet me iets van het hart.

En daarvoor ga ik me weer een keer op glad ijs begeven.

Ik word geraakt door de Zwarte Pieten discussie.

Nee hè? Moet ik ook zo nodig?

Ja, het spijt me, maar dit moet. Van mijn hart.

Niet zozeer de inhoud van die discussie. Ik wil die discussie hier helemaal niet voeren.

Ik wil het hebben over de manier waarop die gevoerd wordt.

Die is zo kenmerkend voor het niet naar elkaar luisteren, dat ik er verdrietig van wordt. En dat bedoel ik letterlijk.

Voor de duidelijkheid: ik houd enorm van het Sinterklaasfeest. Ik vind het een fantastische traditie. Ik heb als kind, als Zwarte Piet zelf,  en ook als ouder ook enorm van de rol van Zwarte Piet gehouden. (Nu nog steeds, maar mijn kinderen zijn groot, dus dat staat wat verder van me af.)  En ik vind dat we de Sinterklaastraditie moeten bewaren. Dat je even weet waar ik sta, is wel zo eerlijk en helder.

Maar nu die discussie.

Beide zijden zijn daar wat onhandig in.

Bezwaar aantekenen tegen een intocht vind ik geen sympathiek, én geen slim middel. 

(update juli 2014: Uiteindelijk heeft het een principiële uitspraak van een rechter opgeleverd, en dat is wel weer winst, al vind ik nog steeds dat de discussie niet in de rechtszaal thuis hoort. En aan de reacties te lezen gaat de discussie nog wel even door. Laten we er een gesprek van maken en geen discussie.)

Maar de lawine aan boze opmerkingen daarover vind ik ook niet slim.

Beide partijen hebben een punt maar beide partijen schreeuwen zo hard dat ze elkaars punt niet horen.

Waar begint het mee?

Met het feit dat gewezen wordt op het racistische element van Zwarte Piet.

Ik denk dat racistische element er ooit in heeft gezeten. Hoe die Zwarte Pieten ook zijn ontstaan, er kleeft vanuit het verleden onmiskenbaar een racistisch tintje aan. Dat stamt uit de tijd dat we slaven en zwarte knechtjes nog heel gewoon vonden. Natuurlijk kwam het goed uit dat het knechtje zwart was. Niemand vond dat toen gek. 

En natuurlijk zit die intentie er al lang niet meer in. Dat ben ik helemaal eens met de Zwarte Piet verdedigers. Pieten zijn geëvolueerd van bangmakers naar lievelingen. Mooie ontwikkeling.

Niks aan de hand dus?

Niet helemaal.

Want wat ik dom vind van de Zwarte Piet verdedigers is dat ze denken dat als de intentie goed is, meteen ook alles goed is.

Ze vergeten dat iets anders over kan komen dan wordt bedoeld. (En er zijn dus mensen die zeggen dat het beeld van Zwarte Piet op hen racistisch overkomt. Dat ze zich daar niet fijn bij voelen. Luister daar naar! Luister bijvoorbeeld ook eens naar mensen uit het (blanke!) buitenland die met verbazing naar de zwarte knecht kijken.)

Dát is wat ik zo vreselijk jammer vind.

Dat mensen in de verdediging schieten. En alleen maar kunnen zeggen: “Zo is het niet bedoeld.”

Kijk alsjeblieft iets verder. Slik je verdediging in. Vraag door als iemand zegt hoe het overkomt.

Jezelf verdedigen is per definitie: niet luisteren.

Jammer!

Gemiste kans.

Want op deze manier gaat de andere partij steeds harder roepen. En naar steeds drastischere middelen grijpen. Zo drastisch dat ze daarmee de verdedigers voeden, zodat die in de aanval kunnen gaan.

En u weer even weg van die Zwarte Piet.  (1)

Want dit zie ik steeds terug.

Ik hoef geen voorbeelden te geven. Alle discussies die nu op het scherp van de snede gevoerd worden, en beland zijn in de scheld-en-dood-wens fase zijn op deze manier begonnen.

-Niet luisteren (of verdedigen)

Harder schreeuwen.

-Nog minder luisteren.

Nog harder schreeuwen.

-Zich afwenden.

-Sterke middelen gebruiken.

Tegenacties, ook met sterke middelen.

– “Zie je wel!” roepen

“Huilie huilie ” roepen.

En vanaf dat moment zijn beide partijen alleen nog maar bezig om elkaar zwart te maken.

En dát is het echte Zwarte Pieten probleem.

 

 

(1)

Mijn oplossing? Die wil ik wel geven. Ik zeg niet dat dit de beste is. Ik wil ook niemand overtuigen van deze oplossing. Ik wil alleen ook niet weglopen voor mijn standpunt hierin.

Niet afschaffen. Zonde van de mooie traditie. Wel heel langzaam doorgaan met het wegnemen van het racistische tintje. Geen Surinaams accent meer opzetten. En heel langzaam andere kleuren invoeren. Wat dat laatste betreft een gigantisch gemiste kans, want die hadden we een paar jaar geleden: regenboogpieten. Die hadden ze door moeten zetten. Over een paar jaar een generatie kinderen, die helemaal niet gek meer op kijken van Pieten in alle kleuren. Natuurlijk is traditie mooi. Maar tradities veranderen mee met de tijd. Waarom deze niet? Op deze manier bewaar je de essentie van de Pieten.

Belangrijker dan een oplossing, is het om met elkaar in gesprek te gaan.

Dat de Zwarte Pieten liefhebbers erkennen dat die Pieten anders over kunnen komen dan ze bedoelen. (Dus stop met roepen: “Poten af van de Sint”. Leef je eens in. Vraag door.)

Dat de Zwarte Pieten critici erkennen dat de intentie achter Zwarte Piet al lang niet meer racistisch is. Dat mensen daar vaak zelfs helemaal niet bij stil staan. Ik denk dat Zwarte Piet bij kinderen vaak populairder is dan Sint. (Dus stop met roepen: “Fout!” Leef je eens in: Kijk naar alle mooie dingen van dat feest. Doe mee.)

 

PS

Op Radar staat een zinnig stuk. En gek genoeg is ook op Geen Stijl een goed stuk te vinden. Scherp, maar ze prikken wel mooi door alle verdedigings-argumenten heen, stuk voor stuk.

 

PPS.

Dit is NIET bedoeld als onderdeel van de Zwarte Pieten Discussie. Volgens mij zijn alle argumenten overal wel te vinden. Die hoeven hier niet herhaald te worden.

De rust en de kracht vinden in de zachte bries

lichteninhangen

Een voorstelling met drempels, en onverwachte momenten in de aanloop.

Eerste verrassing: Ik speel in de grote zaal (300 stoelen) in plaats van de kleine (35 stoelen).

Dat ervaar ik direct als een cadeautje. (dat er een heel klein hoopje publiek zit in die ruime jas, vind ik minder erg)

Een mooie vloer. Als ik daar loop zakt mijn spanning weg (Ja, die had zich toch weer aangemeld, die spanning.)

Maar dan lees ik in de mail dat mijn schrijftolk er niet bij kan zijn. Vanwege familieomstandigheden. En terecht. Daar moet ze zijn. Dat is belangrijker dan welk theater ook.

Goed.

En nu.

Ik doe wat pogingen om schrijftolken te benaderen, maar het is te laat. Geen schrijftolk.

Ik word weer rustig. Ik ga gewoon mijn theater beginnen met uitleggen. Vragen of de ringleiding voldoende compenseert. En dan pas echt starten. Dat kan. Vierde wand herstelt zich wel weer.

Intussen verder met het licht. Want al eerder deze week werd duidelijk dat mijn lichtontwerper (Bob de Roos) er niet bij kon zijn. Hij heeft alle instructies doorgemaild naar Selwyn, de technicus van het theater.

Die is hard aan de slag met inhangen van de lampen. Maar dan moeten we de licht-doorloop doen. En omdat ik de technische termen niet ken, en zelfs niet precies meer weet wanneer welk licht aan moet, is het nog flink puzzelen. Daarbij moet ik steeds vragen, “is dit paars?” Want ik ben kleurenblind.

In kikker deden de techneuten en Bob het samen, en eigenlijk hoefde ik alleen te zeggen of het goed was. Ik had ook geen tijd om me daar beter in te verdiepen, want ik moest ook nog een repetitie met de tolken doen. Maar nu wreekt zich dat ik te weinig kans heb gehad om me te verdiepen in de techniek. Het blijft natuurlijk mijn verantwoordelijkheid.

Goede les.

Bij deze nog een keer bedankt Bob en Selwyn, want uiteindelijk hebben jullie er weer een mooi plaatje van gemaakt.

Maar de stress, die helemaal weg was, begint een beetje terug te komen.

Iets in mij wil even wegkruipen.

Net als Elia.

Ja hoor eens, wel bij de les blijven. Het is zondag, en dan doe ik een preek. Vandaar de Elia.

Elia is een ouderwetse profeet. Zo eentje die met God praat. Zo eentje die met heuse wonderen werkt.

Maar als het allemaal niet lekker gaat, kruipt hij weg in een grot. (Ja bijbelkenner, eerst een struik, maar uiteindelijk beland hij in een grot).

Hij wil er mee ophouden. Maar dan vraagt God. “Elia, wat doe je hier?”

En op die roep komt Elia naar buiten.

Dat stuk waar God langs komt is poëtisch, en veelzeggend.

En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de HEER bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de HEER bevond zich niet in die aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de HEER bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: ‘Elia, wat doe je hier?’

Zo was het bij mij ook.

Geen grootse dappere beslissing om alle tegenslag tegemoet te treden met strijdlust.

Geen donderend besef dat ik mijn verantwoordelijkheid moest pakken.

Geen vuur van binnen dat van binnen brandde om mijn beste beentje voor te zetten.

Gewoon een hele kalme beslissing om het te gaan doen.

Zoals het nu is.

Een beslissing om straks het publiek uit te leggen waarom er geen schrijftolk is, en om ze te vragen wat ze nodig hebben.

En het werkte.

Ik heb weer lekker gespeeld. Sommige dingen beter gedaan dan in Utrecht. Andere dingen iets minder. Maar ik heb alles gegeven, en ik was er weer zelf bij. Het was goed.

En dan achteraf nóg een les. Ook een waar ik niet meer van in paniek raak, maar die ik wel mee neem.

De batterij van mijn microfoon was leeg, ruim 10 minuten voor het einde.

Les 1. elke voorstelling een nieuwe batterij.

Les 2. vanaf nu, mag publiek een gil geven bij haperende techniek. Ik ga dat zeggen. Ik kan die onderbreking opnemen in mij  spel. Het leven is theater, toch?