Je komt nergens als je niet goed naar anderen luistert. Maak jij een van deze drie fouten?

FOUT 1: De ander niet serieus nemen.

Dat heb ik nog best lang volgehouden bij Sacha, mijn vrouw.
Sacha is meer thuis dan ik. Ons huis is haar castle. Voor mij geldt dat minder. Mijn hoofd is waar ik woon. Dus is het logisch dat Sacha zich drukker maakt om de rotzooi dan ik. Ik zie het vaak écht niet liggen.

Beste vrouwen, wij mannen hebben jagersogen. We zien alleen wat recht voor ons ligt. Echt waar. 

 

Hoe herken je fout 1?

Als je heel goed meeluistert, hoor je me zachtjes: “Niet altijd zo moeilijk doen” mompelen. Waarna ik hardop een verhaal in stelling breng over mijn drukke werk.

 

Hoe kan het anders?

Het gaat niet over mij, het gaat over Sacha.

Ik kan bedenken hoe dat voelt: leven in een huis waarin behalve ikzelf, ook nog eens vier pubers hun rotzooi laten slingeren. Begrip tonen.

 

FOUT 2 : De ander wel serieus nemen, maar toch de boot afhouden.

Alleen begrip is niet genoeg. Aandacht voor de ander kan ook een manier zijn om zelf buiten schot te blijven.

 

Hoe herken je fout 2?

Let op mijn gezicht. Dat staat heel begrijpend. Ik ga me te buiten aan de hm-hm’s, de ik-snap-het’s, en de wat-vervelend-voor-je’s.

Bah! Ik ben een echtgenoot, geen therapeut.

 

Hoe kan het anders?

Het gaat niet meer over Sacha, het gaat nu over mij.

Ik kan het me aantrekken. Stoppen met de vermoorde onschuld te spelen. Als ik beter kijk, zie ik dan zelf ook niet mijn sokken, weggesmeten in een hoek? En de pot verf op de trap, die al weken naar zolder moet?

 

FOUT 3: De ander zo serieus nemen dat je alles klakkeloos overneemt.

Geschrokken, als een weerhaan die voelt dat de wind uit een andere hoek waait, bekijk ik plotseling ons hele huis door Sacha’s ogen. Ik oefen hard om die zelfde spiedende blik te krijgen.

 

Hoe herken je fout 3?

Zie hoe ik plaatsvervangend boos wordt op de kinderen. Als Sacha’s conciërge commandeer ik ze om rotzooi op te ruimen waar ik zelf geen last van heb.

 

Hoe kan het anders?

Voordat ik het over een ander kan hebben, moet ik nog even stilstaan bij mezelf.

Zoals het goed is geweest om het me aan te trekken, zo is het nu verstandig om dat wat niet lekker zit, weer uit te trekken.

De verfpot staat intussen op zolder, de sokken gaan voortaan in de wasmand (nou ja een stuk vaker in ieder geval), maar die extra voorraad WC rollen gaat weer terug naar het toilet. Dat is geen rommel, dat is handig.

 

EINDSCORE

Twee van de drie goed is geen voldoende. Als je niet alle drie fasen van het luisteren beheerst, luister je onvoldoende. En dan blijf je toch nog zitten.

 

 

 

De zin van onzin

Ik wilde een stuk schrijven over de zin van onzin.

Maar die is er niet.

Onzin is net het lichtje van de koelkast, waarvan je niet kunt zien of die ook echt uit gaat.

Zodra je het over onzin hebt, is het geen onzin meer.

Is het dan zo dat in principe alles onzin is? En dat wij het zelf zijn die zin geven?

Ik moet stoppen, anders wordt dit een hoop existentiële onzin.

bloggen om mezelf te zijn

Gisteren vroeg iemand terecht:

Hoezo dat gedoe over jezelf zijn? dat ben je toch altijd?

Ze heeft gelijk. Ook als ik niet mezelf ben, ben ik mezelf. Niet mezelf zijn is ook iets dat bij me hoort.

Wat bedoel ik er dan mee? Met dat niet mezelf zijn?

Ik kan alleen voor mezelf spreken.

Ik voel me niet “mezelf” als ik mijn best doe om aardig, leuk, creatief, slim,  . . .  gevonden te worden. Ik zit dan niet in mezelf, maar kijk als een buitenstaander naar mezelf. Dat vreselijke, onzekere, zelfbewuste uit mijn puber-tijd.

Bij blogschrijven is het dan of mijn denkbeeldige lezers meehijgen in mijn nek. Nu dus: “dat kun je niet schrijven over je lieve lezers. ‘Meehijgen’, wat zullen ze daar wel niet van denken?”

Rekening houden met lezers is iets anders dan aanpassen aan lezers. Daar heb ik al een keer over geschreven. dat heeft te maken met iets doen uit angst of uit liefde.

Niet mezelf zijn is voor mij reageren uit angst. En af en toe gebeurt dat nog. Dat hoort bij mij. Niet doen alsof mij dat niet meer overkomt is een extra laag onechtheid toevoegen. Toestaan, en weer laten gaan. Ook daar helpt bloggen bij.

Om grijsheid te kunnen kleuren moet je in de stemming zijn

Zondag begon grijs.

De natte dagen van november. Wat had ik daar vroeger een hekel aan.

Vreemd dat ik het nu ook mooi kan vinden. De stilte van de mist. En als de zon er dan toch door komt staat hij zo mooi laag. Het gras lijkt groener dan groen. De schaduwen strelen mijn ogen. Zelfs kale natte akkers hebben een woeste charme.

 

Fijn dat zelfs het somberste seizoen zijn schoonheid aan mij prijs gegeven heeft.

Als ik in de stemming ben, tenminste. Vandaag lukt het niet. Grijsheid alom, ook in mij. Dag zonder inspiratie. Nog wat administratie doen, en dan straks een boek pakken denk ik.

 

de roeping van een slechthorende

Ik luister naar papa, naar JJ en naar Jacob Jan.

 

Papa:

Elke korte “TADA!” klank doet mij opkijken, zoeken naar kinderen die oogcontact willen maken. Dit systeem is zo verfijnd dat het alleen aan staat in situaties waar mijn kinderen aanwezig kunnen zijn.

Kunnen, ja. Want als ik geconcentreerd bezig ben (blogjes schrijven bijvoorbeeld) kunnen hele hordes mensen de kamer in en uit lopen zonder dat ik dat merk.

 

JJ is ook simpel. Twee EE klanken achter elkaar. Ook hier weet ik meestal van te voren of ik mij in een gezelschap bevind dat JJ als aanspreektitel gebruikt, of niet.

 

Jacob Jan zijn drie lettergrepen. AA <onbestemd> A, is genoeg om mijn hoofd omhoog te krijgen.

AAAAA <onbestemd> A , dus een langgerekte eerste lettergreep, betekent dat ik al een aantal pogingen gemist heb. Opkijken betekent in dat geval een geïrriteerde blik ontmoeten. Niet opkijken is geen optie, heb ik inmiddels door. Ik heb goodwill nodig om mensen zo gek te krijgen dat ze zaken blijven herhalen. Zonde om die goodwill te verspillen.

Je moet er wat voor over hebben om je roeping niet te missen.

Want laten we welzijn. Want roeping klinkt wel heel groots en meeslepend, het wezenlijke van onze roeping is natuurlijk gewoon contact maken met anderen.

 

 

 

 

vertellen op school

Ik heb een nieuwe laptop en ben bestanden aan het opruimen.

Ik kom een stuk tegen van 10 jaar geleden. Uit uit de Gelderlander.

Toen was ik al aan het vertellen dus. 🙂

 

“De vlag hangt halfstok,

een bevriende koning is dood.”

Door onze verslaggever

WIJCHEN ●  In de aula van basisschool De Buizerd in Wijchen-Noord wordt sinds vorige week woensdag elke ochtend een kort fragment uit het boek De Blauwe Boekanier van Tonke Dragt opgevoerd. Dat is omdat het Kinderboekenweek is en omdat die dit jaar over varen gaat.

Elke ochtend wordt in een van tien klaslokalen een blauwe fles met een brief verstopt. De kinderen die de fles vinden, mogen de scheepsbel luiden, waarna de ongeveer driehonderd leerlingen zich naar de aula begeven. In die aula is een onbewoond eiland nagebouwd, compleet met twee palmbomen en een hangmat. De Blauwe Boekanier die daar is aangespoeld, vertelt een verhaal, zingt een liedje, doet een spelletje met de kinderen… En na een kwartier gaat iedereen weer naar zijn eigen lokaal.

Jacob Jan Voerman speelt nog tot en met vrijdag de Blauwe Boekanier. Hij heeft een zoon van elf op school zitten. Vandaag is hij voor één keer uitgedost als Pier de Piraat.

Samen delen, samen beleven, samen vieren: het zijn typische kenmerken van een jenaplanschool zoals De Buizerd. Er is elke maand een viering voor de hele school rond een bepaald thema. Elke vrijdag is er een viering in de stamgroep. De verhalen van de Blauwe Boekanier, die, nog tot vrijdag doorgaan, passen in deze traditie.

Maandag kreeg de Kinderboekenweekviering een onverwachte wending, Prins Claus was dood.

‘Mannen, kijkt omhoog”, begon de Blauwe Boekanier zijn verhaal, de vlag hangt halfstok. Een bevriende koning is dood.”

En nadat de spreker het voorbeeld had gegeven, namen driehonderd, kinderen denkbeeldig hun pet af voor de overledene.

 

De Gelderlander, 9 oktober 2002

antwoord

Ik had maandag een gesprek met mezelf.

Als je die blog niet helemaal wil lezen: het ging om vasthouden of loslaten, en wat ik daar nog in te leren had.

Mijn advies aan mezelf was om de vraag los te laten. Hij zou vanzelf beantwoord worden.

Leuk is dat, trouwens. Vraag ik iets aan mezelf, en dan krijg ik als antwoord dat ik het zelf het antwoord moet zoeken.

En dat is toch gelukt ook? Wat zeur je nou?

Ja het is gelukt. Meteen die dag erop al. Tijdens iets dat ik te veel uit de losse pols wilde doen, en ik juist daardoor niet kon loslaten. (dat kun je hier lezen)

Jij houdt wel van paradoxen zeg

Ja, en uitersten. Daar zit wel heel vaak de clou.

Mooi, dus je kunt vast vertellen wat de clou is van je vraag.

Ja. let op:

als je iets los wil laten moet je het wel eerst beet hebben

Mooi. Kan zo in een tweet. Ga je het nog uitleggen?

Zonde toch? Hij is zo mooi compleet. Ik kreeg spontaan een hele grote smile op mijn gezicht toen hij binnen viel.

Kom op, voor je lezers.

Nou voorruit.

De paradox is dat hoe beter ik iets voorbereid, hoe zekerder ik me voel. Dus ook hoe meer ik kan spelen met wat er op dat moment gebeurt. Dus hoe meer ik kan loslaten. Ik wist het eigenlijk al. Bij trainingen die ik geef werkt dit ook.

Maar het was iets nieuws wat ik deed. En dan ga ik mezelf ophangen aan wat ik vind dat ik moet doen, in plaats van dat wat ik kan doen.

En ook die valkuil was al bekend.

Ja, ja. maar soms vermommen ze zich. Maar ik heb hem weer.

Loslaten van mijn spookbeelden van verwachtingen. Uitgaan van wat ik te bieden heb. Aanpassen aan wat gevraagd wordt.

Mooi. En als je nu weer wat nieuws verzint. Weet dat dat daar altijd elementen zitten van de dingen waar je goed in bent. Haal daar je vertrouwen uit.

🙂 De beste coach ben jezelf, zegt Richard van Kray. Zou hij dan toch gelijk hebben?