Waarom zakelijke blogs gaan verdwijnen

Ik kom mijn belofte na.

Geen dubbele zooi op internet.

HIER staat een blogartikel dat precies zegt wat ik ook wil zeggen. Maar dan beter.

Dus je hoeft niet verder te lezen. Ik laat mijn eigen blog wel staan. Weghalen is geschiedvervalsing. Maar je hoeft niet verder te lezen. Lees artikel van de link hierboven maar. 

 

 

 

 

 

Zakelijk = informatie

En dan is het fijn als dat ergens staat waar je het goed kunt vinden. Met aanvullingen, verbeteringen, meerdere visies naast elkaar gezet. Up to date gehouden.

En vooral niet overal dezelfde informatie in een net iets ander jasje. Dat is verwarrend. En als het niet verwarrend is, is het vermoeiend.

Dus liefst aangeboden op een wikipedia-achtige manier.

Ik vermoed dat het met zakelijke blogs die kant op gaat. Al zal er één groot verschil zijn met Wikipedia. Naast de feitelijke (en daarmee gortdroge) teksten, is er plaats voor column-achtige teksten.

Ik wil graag voor meningen en opinies een wikipedia-achtige aanpak. Met een goede moderator, die alle drogredenen er uit kan gooien. Die alle invalshoeken netjes op een rij zet. Alle verschillende meningen overzichtelijk, en gebroederlijk naast elkaar. En pas reageren als je iets nieuws te melden hebt. (En anders doe je gewoon een ‘eens’ , op de manier van een like of een +1)

Dit is de manier waarop degene die op zoek is naar informatie er het meest aan heeft. Ik ben geen toekomstvoorspeller, maar als je er van uit gaat dat uiteindelijk alleen de dingen blijven bestaan die écht goed zijn, zal het zoiets worden.

En dan kan al die dubbele content er uit. Het kaf wordt gescheiden van het koren.

Er zijn maar twee manieren om als zakelijk blogger te overleven in deze visie:

– Heel dicht op de bron van de informatie zitten (dus geen verhalen uit tweede, derde, vierde en ga-zo-maar-door-hand)

– Heel goed kunnen schrijven. Pakkend, leesbaar, helder, inzichtelijk, verrassend.

 

En als je dat niet doet, kun je dan inpakken?

Nee.

Dan kun je persoonlijk gaan bloggen.

Want wat je over je zelf schrijft blijft altijd unieke informatie.

Als je daar tenminste eerlijk in bent.

Niet je eigen verhaal gebruiken om met een omweg toch weer zakelijke content te verkopen.

De kern van persoonlijk bloggen is voor mij durven schrijven over wat je raakt.

De emoties hoeven niet van je blog te spatten. Misschien  juist niet. Een beetje afstand is goed, om vorm te kunnen geven aan wat je schrijft. Rauwe emotie is mooi, maar wordt nog mooier als er een vorm aan gegeven wordt, wat voor vorm dan ook.

Maar alsjeblieft niet te veel afstand.  Want daarmee transformeer je dat persoonlijke verhaal weer tot gewone informatie.

Voorbeeld.

Een van de meest emotionele momenten in mijn leven is de geboorte van mijn oudste kind.

Dat is 22,5 jaar geleden. Als ik tijdens het schrijven daarover, niet opnieuw die bij die emotie kan komen, heb jij er als lezer niets aan. Dan heb ik je niets te vertellen.

Als ik dat wel kan, als ik zelf geraakt durf te worden, door wat ik schrijf, dan zal daar iets van door mijn woorden heen gaan sijpelen, en dan kan ik je raken. Ook al is mijn schrijfstijl nog zo knullig.

 

En deze blogpost dan?

Ik laat mezelf hier ook niet echt zien.

Dus deze post heeft volgens mijn eigen normen alleen bestaansrecht als dit niet al ergens anders staat.

Laat ik het zo doen.

Zeg me waar op internet ditzelfde ongeveer zo staat. Ik ga lezen. Als ik denk: “ja dat is wat ik eigenlijk wilde zeggen”, dan zal ik daar een reactie achter laten in de vorm van een compliment. En daarna zal ik deze blogpost verwijderen, en op deze plek een link zetten met een verwijzing naar die andere site. Iets in de trant van: “Ik wilde bloggen over dit onderwerp, maar iemand anders heeft het al een keer gezegd, en ik kan dat niet beter.”

Walk your talk.

Alles of …. alles

Er gebeurde iets dat ik niet had veracht.

(Ja, achteraf, kun je alles voorspellen.)

Er ging een deur open, na afloop van mijn eerste try out, en ik deed een bijzondere ontdekking.

Ga even met me mee, want ik weet precies wat ik bedoel, maar heb nog geen woorden gevonden.

Dit voorjaar. Na de beslissing om te stoppen met mijn werk was er de onzekerheid over hoe ik het vorm zou geven, mijn theater.

Deze zomer. Voelde ik na een week werken met Maarten Vonk als regisseur, de opluchting:  er staat iets. Solide. Ik kan ergens aan werken.

Nazomer. In de aanloop naar de eerste try out. Vertrouwen en angst wisselen elkaar af in een noodtempo. Ik kan niet verder kijken dan 22 september. En toch is een deel van mij daar mee bezig. Want dit moet goed. Dik moet knallen, als het niet alles is, wordt het niks.

Ik ben een alles-of-nikser.

Mijn hoofd maakt een plaatje hoe het moet worden. Het succes moet zich uitbreiden, ik moet minstens een bekende Nederlander worden, want anders krijg ik nooit genoeg volle zalen. Dan blijf ik een prutser in de marge. Dus als het niet perfect gaat, ben ik afgeschreven.

Alles of niks. Die spanning zat in mijn lijf.

Herfst. Tijd om los te laten.

Tijdens de generale repetitie op de 22e zelf, voelde ik de spanning nog. ‘Het wordt niks’, ging door mijn  hoofd.

En toen zat het publiek.    –  –  –  –    De zaallichten gingen uit.

Ik kwam op, kreeg applaus. Dat voelde goed, maar de kabouter riep: ‘Dat moet je nog wel gaan verdienen’

En daar sta ik in het begin nog mijn best te doen. Te zoeken naar wat dat best zou moeten zijn.

Maar langzaam raakte ik dat kwijt. En de lol kwam er voor in de plaats.

Ik voelde ruimte. Ik kon zelfs van een afstandje naar mezelf kijken. Ik kon beslissen hoe ik de volgende scene wilde doen, in plaats van te zoeken naar hoe ik hem zou moeten doen.

Ik kreeg het gevoel dat ik het in het hier en nu vertelde, in plaats van het oplepelen van een uit het hoofd geleerde tekst.

Niet altijd, niet overal.

Maar wel genoeg.

Genoeg om tevreden te zijn na afloop.

Niet euforisch blij. Nee, mooier: diep tevreden.

En een rust.

Omdat het niets verdween, verdween ook de noodzaak van het alles.

Het hoeft niet meer alles te zijn. Het mag zijn, wat het al-is.

Niet dat ik geen ambitie heb om het nog beter te maken. En nog steeds wil ik een heel groot publiek en overal in Nederland kunnen spelen.

Maar het hoeft niet per se precies dat te zijn.

Hoe leg ik dat verschil uit?

Het verschil is het gevoel in mijn buik.

Ik weet wat ik waard ben. En ik weet dat ik ergens uit kom waar ik dat kan laten zien.

Hoe dat er precies uit gaat zien kan ik loslaten.

Ik ben nu een al-is-en-alles’er.

Niks bestaat niet.

Alles is goed.

 

 

Het is volbracht

BUzE4KyCAAAFash

(foto van Agnes Swart)

 

Ik heb het gedaan.

Mét publiek.

En ik ben er zelf bij geweest.

Ik heb er van genoten. Ik voelde me steeds losser worden.

Het publiek was geweldig.

Er kan nog veel verbeterd worden. Ik heb vast talloze fouten gemaakt.

Maar dat dondert geen ene moer. Want ik ben heel tevreden met deze eerste keer. Omdat ik de belangrijkste stap heb gezet: los komen uit mijn angst. De rest is techniek, en dat is te leren.

Graag even aandacht voor Ramon Fluitman, tolk gebarentaal die jarig was en ziek, en de sterren van de hemel getolkt.

Voor Linda Gomes, die een klus heeft geklaard die niet te klaren was. (Wel eens een schrijftolk gezien die anderhalf uur zonder tolkpauze tolkte?) Dat was dus een van die fouten: ik ging toch nog te snel. Die rust gaat komen, en dan gaat de tekst ook meer synchroon lopen.

Bob de Roos en de twee technici van Kikker die de hele middag bezig zijn geweest om het licht in orde te brengen, en alles perfect hebben uitgelicht. (En ook nog eens al mijn spullen bij elkaar hebben gepakt toen ik aan het kletsen was met iedereen.)

En Teske, mijn oudste dochter die mee was. Zich uit de naad heeft gewerkt, maar vooral een heel fijne morele support geweest is.

En omdat hij er niet bij kon zijn, vergeet ik Maarten Vonk, potdikkie!. Mijn regisseur. Veel meer dan regisseur want hij heeft enorm geholpen om de elementen van mijn verhaal op de goede plek te zetten. Hij heeft me geholpen om trouw te blijven aan mijn eigen verhaal. En hij was streng genoeg om er voor te zorgen dat ik voldoende houvast had op deze eerste try out.

 

(En Ruud Ketelaar, die me geholpen heeft mijn auto terug te vinden 🙂

Jona

Een van de mooie dingen in de bijbel vind ik de manier waarop mensen om gaan met hun roeping.

Abraham die meteen onvoorwaardelijk ja zegt.

Jacob die vecht met een engel.

Mozes die eerst wil weten wie hij voor zich heeft.

Jona die vlucht voor zijn opdracht.

Ik hou van het gestuntel in de bijbel. Met veel liefde wordt beschreven hoe onhandig mensen om gaan met hun geloof. Ze zijn geen van allen perfect.

Zo houd ik van Jona, die in eerste instantie direct de andere kant op vlucht, als hij zijn roeping hoort.

Ik herken mezelf daarin. Wegvluchten voor je levensopdracht. Omdat die zo groot is. Wie ben ik om . . . .

Maar dan doet Jona iets prachtigs. Iets waar ik hem om bewonder. Iets waarom hij een voorbeeld voor me is.

De boot waar Jona op vlucht komt in een vreselijke storm terecht, en dreigt te vergaan.

‘Laten we het lot werpen om te weten te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft.’ Ze wierpen het lot, en het lot viel op Jona. Toen zeiden ze tegen hem: ‘Vertel ons: Hoe komt het dat deze ramp ons treft? Wat doe je hier aan boord? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?

Je zou verwachten dat Jona, die weggevlucht is ook nu weer vlucht in excuses. Hij had zich van de domme kunnen houden. Maar wat doet hij nu alle ogen op hem gericht zijn? Hij komt openlijk voor zijn geloof uit. Hij gaat staan waar hij voor gelooft.

Niet vanuit een gevoel van superioriteit. Meer vanuit een soort van: ‘Ja ik ben het van die maffe godsdienst, met die grillige God. Ik weet dat jullie daar niets van moeten hebben, maar ontkennen kan ik het niet, en dat wil ik ook niet. Dit is wat ik geloof.’

Jona antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vereer de HEER, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.

Hij verwoordt waar hij ten diepste in gelooft. Hij verwoordt waar hij voor staat. Ook al kan dat betekenen dat de mannen hun woede en angst over hem uit storten.

Meer nog, hij wil anderen niet meeslepen in zijn strijd.

Gooi me maar overboord, zegt hij.

Dat vind ik knap. Als het spannend wordt, als er naar je gewezen wordt, als je ter verantwoording geroepen wordt. Om dan te gaan staan voor wie je bent. Te herkennen dat het geen zin heeft weer weg te lopen.

 

Misschien niet rechtstreeks, maar dit heeft mij geholpen om te zeggen: “Ik ben geen coach, geen trainer. Ik ben kunstenaar.”

Ik zit nu in de buik van de Walvis.

Vanavond, 22-9 om 20.00 uur wordt ik door de vis uitgespuugd. Ik vertrouw er op dat ik ergens aan land kom. En dan zie ik van daar wel weer verder.

getting on the stage

Ik heb met mijn dochters Brene Brown’s TED talk gekeken.

De jongste had op school met Engels en Nederlands ook leuke talks gezien, en toen wilde ik ze deze laten zien.

Leek me een boodschap om zo vroeg mogelijk te horen.

Ik kreeg zoals elke keer weer tranen in mijn ogen.

We zagen de tweede ook.

En daar heeft Brene het over “getting on the stage”.

O, help. Dat ga ik letterlijk doen. Maar de woorden van Brene geven me rust. Want als ik af ga, ga ik moedig af zondag. En er zijn alleen maar vrienden in de zaal.

Dus Wat er ook gebeurt. Afgaan is het woord niet.

 

Mensen in hun kracht zetten is mooi werk, maar ook half werk.

D’r zijn heel veel coaches.

Daar heb ik een beetje een vooroordeel over.

(Ja dat is projectie, maar projectie betekent niet meteen dat het dan allemaal maar meteen flauwekul is.)

Daar komt ie.

Ik denk dat veel coaches zelf een mooi proces hebben meegemaakt. En dat dat geleid heeft tot een enorme bevrijding.

En dat ze dat dan door willen geven. Een beetje verliefd nog op dat proces, willen ze er graag wat langer in blijven hangen.

Als ouders die een tweede of derde of vierde kindje willen, niet alleen vanwege het kindje maar omdat die babytijd zo leuk is.

En een manier om er mee bezig te blijven is om anderen in dat proces te helpen.

Niks mis mee.

Het is goed dat mensen hulp krijgen bij het vinden van de kracht in zichzelf.

Maar ik vind dat niet genoeg.

Ik vind het namelijk een beetje jammer dat het zo hard nodig is. Dat we de wereld met zijn allen zo ontoegankelijk maken dat mensen er op eigen kracht niet meer uit komen.

Dus wat je ook kunt doen, als je jezelf bevrijd hebt, is wat doen aan die andere kant.

Niet alleen blijven hangen, maar door gaan. Een mooiere wereld maken.

Laten we de wereld wat vriendelijker maken met elkaar. Laten we de mensen die niet zo makkelijk mee kunnen komen wat helpen. (Ja ik weet het wel, ze kunnen alleen zichzelf helpen. Maar daar zijn die coaches allemaal al mee bezig, en daar zijn er heel veel van.)

Jezelf helpen gaat ook beter als je daar wat hulp bij krijgt.

Jezelf aardig vinden gaat bijvoorbeeld een stuk makkelijker als je omgeving niet de hele tijd signalen stuurt dat je niet oké bent.

Dus in plaats van te wachten tot die anderen zo sterk zijn dat ze alles aan kunnen, kunnen we het wat minder moeilijk maken voor ze.

Hoe?

Gewoon aardig zijn.

Juist op die moment dat je je een beetje ergert. Want dat zijn de momenten dat je anderen de verkeerde signalen geeft. (Ja, verkeerd ja. Dat zijn namelijk die signalen waardoor die ander weer hele RET-trainingen nodig heeft, om te leren dat het niks met hem te maken heeft, maar dat het misschien wel komt door de vervelende bui van jou.)

Dat lukt vast niet in één keer. Je bent niet voor niks in zo’n bui. Maar geef jezelf en de ander dan een tweede kans. Kom er op terug. Leg uit dat het aan je bui lag. Maak het goed.

En als dat nóg te moeilijk is (wij hebben ook zo onze terugval momenten toch?) dan kun je beginnen met wat extra aardig te zijn op momenten dat je lekkerder in je vel zit. Dus als je iets leuks denkt, het dan ook meteen zeggen tegen die ander.

Waarom schrijf ik dit?

Ik ben zelf coach geweest.

Ik heb mensen gecoacht die in situaties zaten waarbij ik me schaamde dat ik alleen maar bezig was met mensen in hun kracht te zetten. “Hoeveel meer kracht moeten ze nog hebben om hier te overleven?”, dacht ik regelmatig. En: “Zit ik intussen niet het hufterige gedrag van anderen te legitimeren als ik mensen leer hoe ze daar mee om kunnen gaan?” en  “Waarom wordt er aan de andere kant niks gedaan?”

Mensen onafhankelijk maken is een illusie. We zijn niet onafhankelijk. (En ik denk dat  dat goed is. We zijn toch een samenlevening?) Prima, om mensen te leren weerbaarder te zijn. Maar er is een grens. Wat zegt het over een samenleving als je alleen overleeft als je super-weerbaar bent?

Dus vandaar.

Geweldig dus als iedereen leert dat ie zichzelf kan helpen, maar laten wij daarom met zijn allen niet achterover gaan hangen.

Goh, het lijkt wel een participatiemaatschappij.

angst en vertrouwen

Ik heb twee stemmen in mijn hoofd.

Nou ja, misschien meer, maar laat ik het even bij deze twee houden.

De angst en mezelf.

 

Eerst even over die angst.

De angst heb ik ook wel eens de interne saboteur genoemd. Die lijkt op de interne criticus, die ik hier noem. Maar de saboteur wil me naar beneden halen, terwijl de criticus wil me wil helpen.

Soms denk ik wel eens dat die saboteur me er van weerhoudt een goed gesprek met mijn criticus te hebben. Dat kan, namelijk, een goed gesprek met mijn criticus. Ik heb dat een keer in een geleide fantasie gedaan.

In die fantasie stond ik als dirigent voor een groot orkest. Het was een zomerse dag en dat orkest was opgesteld in de ruïnes van een grote kathedraal. Het publiek was van alle kanten toegestroomd. Ik stond met mijn dirigeerstokje klaar, en draaide me om naar het publiek.

En toen kwam, door het gangpad, mijn criticus aanlopen. Ik durfde niet te kijken, en wilde dat hij weg ging. De begeleider van de fantasie vroeg me om hem dichterbij te laten komen. Dat deed ik, en tot mijn verbazing zag ik dat ik het zelf was. Ik keek niet streng, maar bezorgd. En mijn boodschap aan mezelf was: Jacob Jan, het is prachtig wat je wil. En je moet het ook doen. Maar nu ben je er nog niet klaar voor. Ik deed mijn ogen open en liet de tranen stromen.

De saboteur werkt anders. Die praat niet rechtstreeks tegen me. Het zijn vage suggesties die hij doet. Bijna altijd in de trant van : het is niet goed genoeg, houd er maar mee op. Geen stem maar een gevoel. Een dof gevoel, meer nog een afwezigheid van gevoel, dat zorgt dat ik de stem van mezelf niet meer kan vinden.

 

En dan is er mezelf.

Die heb ik teruggevonden tijdens een meditatieweekend. In deze blogpost schrijf ik daar over. Het gedicht in die post heb ik naar aanleiding van dat weekend geschreven.

Bij die ontdekking liep ik naar buiten, ging op mijn rug liggen in het gras, en toen ik overeind kwam was het alsof ik mezelf zag zitten, in het gras, tegenover me.

Ik keek vol liefde naar mezelf.

Nu nog steeds kan ik dat naar voren halen. Soms vraag ik of ik er nog ben, en als ik ruimte heb om te luisteren hoor ik : “altijd”. En altijd gaat er bemoediging uit van mezelf. Altijd is er lucht. Mezelf neemt mij niet zo serieus, en dat is fijn. Ik voel altijd plezier en vertrouwen, als ik met mezelf spreek.

En er komen woorden. Het bijzondere is dat er dingen komen die voor mij verrassend zijn.

 

Soms slinger ik heen en weer tussen die twee uitersten.

Tussen het doffe niet-gevoel van angst, en het blakende blije vertrouwen.

De eerste keer dat ik zo’n angstperiode opzij duwde dacht ik dat het voorgoed was. Nu weet ik dat hij waarschijnlijk nooit helemaal weg is, en altijd weer de kop kan opduiken.

Zo hard dat mijn saboteur tijdens zo’n angstperiode, de suggestie “je lijkt wel bipolair” in mijn hoofd zet.

Gelukkig zijn de angstperiodes korter. Ik vind altijd ergens een manier om het af te schudden. Door te dansen bijvoorbeeld.

 

Deze week wisselen angst en vertrouwen elkaar met een rotvaart af.

En de angst kent gemene iteratieve truukjes. Wat nou, als je vertrouwen niet op tijd terug is? Zondag heb je hem nodig! Wat nou als zondagavond de angst zo hevig toeslaat dat je helemaal dicht slaat?

De angst, die me bang maakt voor de angst.

“Hou het niet binnen”, zegt mijn vertrouwen: “Praat er over, schrijf er over. Breng het in het licht. En dan kun je het zien voor wat het is . Hele ingenieuze, maar ook hele kleine onbetekende wriemeltjes die verwoede, maar hopeloze pogingen doen.”

Ik zie ze, in mijn handpalm, kronkelend, als vissen op het droge. Als ik blaas zijn ze weg.

“Mooi”, zegt mijn criticus:  “maar dat betekent niet dat je nu achterover kunt gaan hangen. Zorg dat je goed voorbereid bent. Maak een lijstje van alles wat je nog moet doen.”

Now we’re talking.

En mezelf voegt er aan toe :

“Vergeet niet te genieten, en zelfs als je het vergeet. Niks aan de hand. Ik ben er bij, en ik vertel je na afloop wel hoe heerlijk het was.”

 

 

 

 

Meten is doden

Al heel vroeg heb ik de carrière van mijn zoon uitgestippeld.

Ik had door dat er in de techniek nog brood te verdienen zou zijn, dus probeerde ik het met computers. Dat lukte niet, maar gelukkig kon ik hem warm krijgen voor Scheikunde.

Vriendinnetjes van hem, die niet iets in de techniek deden ontmoedigde ik met succes, want dat leidt maar af. Hij heeft er nu eentje die geneeskunde doet. Daar doe ik het maar mee, je kun niet al te kieskeurig zijn.

Nu nog zorgen dat hij promoveert.

Dan kan ik het loslaten. Dan is het tijd om plannen voor mijn kleinkinderen te maken, je kunt niet vroeg genoeg beginnen.

Belachelijk?

Ja, maar waarom doen we met zijn allen dan vergelijkbare dingen?

Werkgevers maken functieprofielen, en zoeken net zo lang tot ze iemand vinden die daar voor 100% in past.

Voor opleidingen zetten we de eindtermen vast, en we vinden opleidingen pas goed als alle leerlingen die eindtermen halen.

Voor alles wat je onderneemt maakt je een plan, heb je een doel. En je bent pas geslaagd als je dat doel weet te halen.

Zelfs uitgevers willen alleen nog maar investeren in schrijvers waarvan ze van te voren weten dat die succesvol zullen zijn. En of zo’n schrijver van zijn succesvolle boek dan alsjeblieft een serie wil maken.

En als ik de vrouwenbladen mag geloven stellen we een hele lijst eisen op voor onze toekomstige partner.

Onze hele maatschappij richten we in op basis van voorspelbaarheid.

En wat we niet kunnen voorspellen, verbieden we, of we verzekeren het (al dan niet verplicht).

Het enige dat we nog aan de ander zien, is alles wat niet aan die voorspelbaarheid voldoet, vooral in negatieve zin.

We zien dus wat iemand niet kan, in plaats van wat iemand wel kan.

Welk bedrijf probeert in een gesprek het beste uit een sollicitant te halen, en durft daarbij de eigen eisen even opzij te leggen? Omdat ze nieuwsgierig zijn naar manieren waarop deze sollicitant een bijdrage kan leveren? Manieren waar het bedrijf zelf nog niet aan heeft gedacht?

Welke school is er nog écht op gericht het mooiste van het kind tot ontwikkeling te brengen? Dat mooiste in een kind, uit zich in precies dát gedrag waar scholen juist het meeste moeite mee hebben. Dat mooiste wordt ontmoedigt, of zelfs geweerd.

Wie zegt er nog ja, tegen een waanzinnig plan?

Nee, we blijven gokken op de voorspelbaarheid.

De data worden steeds bigger, en ze zeggen steeds minder.

Meten is niet weten.

Meten is schijnweten.

Meten is alleen maar zien wat je wil zien.

Meten is je meetlat heilig verklaren.

Meten is weggooien van alles wat je niet kunt meten. En dat is nog al wat.

Meten is doden. Creativiteit doden.

(Nee dat rijmt niet, als je per se iets op rijm wil: “Keten is weten”)

Stop met meten, gooi de meetlat weg, maak je hoofd leeg en begin met kijken, luisteren, voelen, proeven, ruiken.

Elke keer opnieuw.

En keet eens wat vaker.

 

 

 

 

Blogger, als je gelezen wil worden

Als je blogt, doe me dan een lol.

Blog eerst over wie je bent,

blog daarna pas over je kennis.

En als je dan toch over je kennis blogt …

…kijk dan eerst even of het niet al ergens staat.

Het is zo vreselijke saai om weer dezelfde informatie te lezen, weer dezelfde lijstjes.

Ah, je mening.

Je wil je mening bloggen.

Als je die mening niet verwart met je kennis . . . prima! 

Dat is hetzelfde als jezelf laten zien. Wees daar dus dan wel even duidelijk in hè? Dat het gewoon alleen maar jouw mening is.

Geef die mening gewoon. Niet overtuigen. Nergens voor nodig. Andere mensen kunnen zelf denken. En voor je het weet trap je in de valkuil van de drogredenen. En dan ben je me kwijt, helemaal. (En niet alleen mij, vermoed ik. Ik denk dat je alleen ja-knikkers over houdt. Wil je dat?)

Een mening geven is een mening geven. Ik mag daar mee doen wat ik wil, alsjeblieft. Net zoals jij je ook niets hoeft aan te trekken van wat ik hier schrijf.

Oja, en dan ophouden met die pop-ups en de e-books-met-de-nep-voorkantjes. En wat je in je nieuwsbrief schrijft kun je ook gewoon op je blog schrijven toch? Hoef je ook niet net te doen alsof je het persoonlijk aan mij richt.

Kijk, als je een e-book voor me hebt met mooie verhalen, of een roman, prima.

Als je een e-book hebt met e-weetjes en e-tips…

nee, dank.

Als ik dingen wil weten die belangrijk zijn, lees ik over wat mensen meemaken, of ik lees een goed verhaal. (Nee geen story!)

Tip voor zakelijke bloggers: als je dit nu gewoon zo doet hoef je straks geen seminar meer te volgen over hoe je meer persoonlijk en klantgericht kunt communiceren. Scheelt weer.

 

 

Alan Garner, bijzondere boeken.

AlanGarner_Strandloper  thursbitch  owlservice  redshift

Ik heb nu bijna al zijn boeken gelezen.

Wat een bijzondere schrijver.

Ik heb al eerder over hem geschreven.

Het begon met een kinderboek (the moon of Gomrath) dat ik als kind ooit las (in vertaling), en dat me de stuipen op het lijf joeg. Het voelde alsof de magie in dat boek echter was dan sprookjesmagie, en ook het gewone leven binnen kon sijpelen. Nou ja, dat had ik al geschreven.

Alan Garner heeft na die kinderboeken, ook geschreven voor oudere jeugd, en tenslotte voor volwassenen.

The owl service” gaat over 3 pubers die een eeuwenoude Welshe legende opnieuw beleven. Alsof deze legende een script is, dat ze wel moeten volgen. Beklemmend mooi.

In “Red shift” lopen drie verhalen uit drie tijden door elkaar heen. Ze hebben op een magische manier met elkaar te maken.

Thursbitch” is het verhaal van een landschap. Uitgangspunt is een steen met de inscriptie  “Here John Turner was cast away in a heavy snow storm in the night in or about the year 1755.” Ook hier lopen weer twee tijden door elkaar heen. Tijden die elkaar via het landschap raken.

Strandloper”  heb ik net uit. Dat gaat over een Engelse man die naar Australië gedeporteerd wordt en 30 jaar bij de aboriginals leeft.

De boeken zijn moeilijk toegankelijk. Garner heeft alles gestript. Alleen het absoluut noodzakelijke is blijven staan. Ze zijn ook dun. Lange dialogen, waarbij je soms heel goed moet opletten wie wat zegt. Ze lezen als een gedicht. De betekenis komt niet alleen via de woorden binnen. De taal is mooi en ritmisch.

Ik denk dat ik ze nog een keer moet lezen om ze echt te begrijpen, en toch was het nu al een bijzondere ervaring.

Wat ook bijzonder is dat alle verhalen zich afspelen in Cheshire, waar Garner geboren is, en waar zijn familie al heel lang woont. Dat land speelt een belangrijke rol. Ik wil daar graag een keer naar toe. Een fan heeft een kaart gemaakt in Google maps, met alle plaatsen uit de boeken. (En hier nog een specifiek voor Thursbitch)

Waarom deel ik dit? Niet omdat ik vind dat je de boeken moet gaan lezen. Ik vermoed dat het voor veel mensen onbegrijpelijke en wazige kost is. Als je van vreemd, bijzonder en enigszins ontregelend houdt, dan raad ik ze van harte aan.

De boeken doen wat met me.

Een aantal van mijn blogs zijn door deze boeken beïnvloed.

Deze bijvoorbeeld, en deze.

Laat ik eens vertellen waar ik mijn inspiratie zoal vandaan haal, dacht ik.

PS  Ik heb inmiddels Thursbitch bezocht, schitterend landschap. Ik heb de plek gezien waar de hoofdpersoon schuilde en stierf.

Ik heb nu ook eindelijk The Stone Quartet dat niet meer verkijgbaar was, en gelukkig toch weer opnieuw gedrukt is.

En hier staat mijn verslag over zijn nieuwste: Boneland

Niet nieuwste. Binnenkorte 28-10-2021 verschijnt Treacle Walker