waarom je de verwachtingen juist niet moet waarmaken

Er viel een pijnlijke stilte.

Ik keek vragend naar de deelnemers,

en de deelnemers keken vragend terug.

Nee, erger!

De meesten hadden een verveelde  zeg-jij-het-maar blik.

Daar ging mijn interactie.

Het was mijn allereerste training. Ik introduceerde een communicatiemodel, en ik wilde de deelnemers daar bij betrekken. Want alleen zenden is niet goed. Interactie, daar gaat het om bij trainingen. Ik was toch niet zo maar een leraar die een lesje af draaide, ik was een heuse trainer.

Dus ik stelde vragen aan de deelnemers bij het invullen van een communicatiemodel.

En ik ging trekken.

Ja, precies, dat vreselijke naar de bekende weg vragen dat veel leraren op de middelbare school nog steeds doen. Tenminste, dat hoor ik van mijn dochters.
“Ja, ik weet dat antwoord echt wel, maar ik ga dat niet zeggen hoor! Ben ik weer de uitslover.”

Dat is wat ik gedaan had met mijn deelnemers. Mijn benadering had ze omgetoverd in een middelbare-school-klasje. Als dwarse pubers gingen ze achterover hangen, terwijl ik ze juist actief had willen betrekken bij mijn verhaal.

“Hoe wordt ik nou een heuse trainer?” was mijn vertwijfelde vraag aan mijn mentor.

En zij vertelde me dat het juist díe vraag was, die me in de weg zat.

Het heuse trainer willen zijn.

Alle verwachtingen waarvan ik vond dat ik ze waar moest maken, zaten me zwaar in de weg.

De meest waardevolle les die ik ooit leerde.

doewatjekunt

Die eerste training was meteen de laatste training waar ik dat nog deed, valse verwachtingen najagen. Vanaf dat moment was trainen een feestje. Omdat ik er open in durfde te gaan. Omdat ik durfde te vertrouwen op wat ik kon.

Het is een les die steeds terug komt bij alle nieuwe dingen die ik uitprobeer.

Want steeds zijn daar de verwachtingen.

Verwachtingen over hoe het zou moeten. Verwachtingen die me steeds opnieuw verlammen. Omdat het imaginaire verwachtingen zijn, gebaseerd op een of ander ideaalbeeld.

Pas als ik een tijdje bezig ben, een paar keer flink gevallen ben, en strompelend weer verder ga, besef ik het weer.

Oja..

Het gaat om wat ik kan. Niet om al die andere dingen.

Zelfs als ik nieuwe dingen leer, zijn er altijd de dingen die ik kan. Ik alleen kan. Omdat ik ben wie ik ben.

Daar zit mijn kracht.

Daar kan ik verwachtingen op baseren.

Die verwachtingen kan ik altijd waarmaken.

 

schuld en schaamte

Ik krijg een mailtje.

Is er iets? We hadden je verwacht. We zijn een beetje bezorgd.

En dan schiet het door mijn hoofd.

Ik zou een rustpunt-bijeenkomst van mijn kerk leiden. Een soort meditatief moment.

Vergeten. En ik had nog niet eens zo lang geleden mailcontact gehad.

Het stond niet goed in mijn agenda, want ik had geruild. (Dat is geen excuus, trouwens)

Ik heb mensen in de steek gelaten, die op mij vertrouwden.

En nu?

Wat gaat er in mij om?

Schaamte. Diepe diepe schaamte. En schuld.

Hoe scheidt ik die twee van elkaar?

Mijn neiging is om van alles te doen om het maar goed te maken. Maar dat is niet om de schuld in te lossen. Dat is om de schandvlek weg te poetsen.

Dit zijn de momenten waarop ik het moeilijk vindt om van mezelf te houden.

Dit zijn de momenten waarop mezelf geestelijk gesel.

Dit zijn de momenten waar het op aan komt.

Want hier komt ‘wie ik ben’ los van dat wat ik graag wil zijn in de ogen van anderen.

Dit is mijn kans om mezelf écht te accepeteren.

 

 

 

 

pikorde

“Jij durft niet je piemel te laten zien!”

Nou durfde ik als klein jongetje een heleboel niet: niet tot helemaal boven in de boom, niet van garagedaken afspringen,

maar een piemel laten zien, dat was toch zo eenvoudig als wat?

En kennelijk had ik er succes mee, want er kwamen kreten, aanmoedigingen en nieuwe uitdagingen.

Over je vingers plassen en aflikken.

Ook daar had ik geen problemen mee, het smaakte net zo zout als uit je neus eten.

Wereldvreemd was ik.

Ik vermoedde wel dat piemels-en-zo verboden terrein waren, maar ik snapte het niet. Geen idee waarom iedereen daar zo moeilijk over deed.

Ik dacht dat het stoer was om iets verbodens te doen, dat het zoiets was als belletje trekken.

Ik had geen flauw benul van taboes.

En ik dacht dat ik de held van de dag was.

Want ik had ook geen flauw benul van de machtsspelletjes die er gespeeld werden. Al was ik onbewust wel zo slim om het bij die ene keer te laten.

Pas toen het echt niet meer anders kon, ben ik de regels van het spel gaan leren. Gesnapt heb ik ze nooit. Het was een kwestie van heel goed afkijken, en vooral heel voorzichtig zijn.

Toen intimiteit een rol ging spelen, kreeg het piemel-en-zo taboe een waarom. Daar kon ik wel iets mee. Ik snapte nu waarom ik mijn piemel niet meer wilde laten zien. Dat wil zeggen, ik voelde het. Ik ontdekte, nu bewust, het wezenlijke verschil tussen durven en willen.

Als je van taboetje breken een spelletje maakt, schieten we er niets mee op. Dat voegt alleen nog maar mee regels toe.

Taboetje breken is geen echte openheid creëren.

De echte openheid kom van mensen die zich in alle kwetsbaarheid laten zien.

Zoals dit blog en dit blog en dit blog en dit blog en dit blog , en dit blog nou ja, zo kan ik nog wel even doorgaan.

Allemaal blogs van mensen die zichzelf bloot geven zonder exhibitionisme.

Aan die mensen heb je écht wat.

Het zijn allemaal mensen waardoor ik ook mezelf durf te laten zien.

Mensen waardoor ik geleerd heb dat het juist mijn kracht is, dat ik de regels niet snap, de regels zonder waarom.

De regels mét waarom, zijn de regels van het leven zelf. Die hoef je niet te snappen, die kun je voelen.

De regels zonder waarom staan echt in hun nakie.

Dat zijn de keizers zonder kleren.

Dus ik laat die regels nooit meer in de weg staan bij het maken van echt contact.

Mijn piemel krijg je niet te zien.

Mij wel.

Mijn kracht, mijn onzekerheid, mijn fouten, mijn kronkels,
mijn uit de blog vliegen, mijn onhandigheid en dus ook mijn pracht.

Met dank aan mijn medebloggers.

 

 

 

 

waarom bloggen zo leuk is.

DSCN4232

Ik zit op de WC.

Als je een leesbril hebt die om de haverklap van je voorhoofd valt, is het beter om zittend te plassen, in plaats van staand.

Bovendien kweek ik op die manier een hele hoop goodwill bij mijn drie dochters en mijn vrouw. Zodat ik weer wat potjes kan breken.

De WC is net gepoetst door mij (op aandringen van mijn vrouw, daar gaat het eerste potje). De tegeltjes glimmen. Ze spiegelen, maar ze zijn een beetje bobbelig, alsof ze uitgezakt zijn, net als oude ramen.

Achter mij is het WC-raampje. In de vensterbank staat een gele fles chloor met een rode dop. Ik zie die weerspiegeld in de tegeltjes.

Als ik mijn hoofd naar beneden beweeg, komt de rode dop in een lachspiegelbult, en het is net alsof hij uit de fles omhoog schiet. Ik kijk of ik effect kan herhalen. Dat kan.

Ik blijf dit spelletje een tijdje spelen. Ik krijg een ‘hee, heb je dat gezien? ‘ gevoel, maar besef dat dit niet iets is dat ik kan delen.

Zie je het voor je? Ik zet iemand op de pot, wijs het tegeltje aan waar de dop van de chloor in gezien moet worden, en geef dan aanwijzingen hoe het hoofd bewogen moet worden. Ik heb wel dochters die daar de lol van inzien maar die  puberen, maar die moeten al zo veel van dit soort dingen van mij zien en horen. En mijn vrouw gaat alleen maar zien dat ik een tegeltje niet goed schoongemaakt heb.

Nah, dat gaat hem niet worden. Dit is een ervaring die ik voor mezelf moet houden.

Maar wacht eens,

Ik heb een blog.

Die wordt gelezen door mensen die net zo gek zijn als ik.

Daar zit vast iemand tussen die het snapt.

Dát is waarom bloggen zo leuk is.

 

 

 

leren is jezelf wijd open zetten

Leren is los durven laten.

of zo

Tenminste, dat vermoed ik.

Het helpt natuurlijk ook dat ik niet alleen ontdekte wat beter kan, maar ook ontdekte wat er goed was.

Nee, lulkoek!

dat is het niet.

Tenminste niet alleen.

Want ik heb in trainingen eindeloos van die goedbedoelde sandwich feedback gehad, waarin de “tips” verpakt moeten worden in “tops”.

En dat werkt niet, wat voor leuke namen je er ook voor verzint.

Die “tip” is gewoon regelrechte kritiek die keihard binnenkomt, en die “top” een lullig doekje voor het bloeden.

Maar nu was dat helemaal anders.

Dus wat ik precíes goed deed, weet ik niet eens, maar gisteren vielen duizenden kwartjes.

Ik trad op. In een heel intiem zoldertheater. In een compleet andere setting dan ik gewend was.

DSCN4230

Kijk, dat is heel anders, dan de zalen waar ik mijn eerste voorstellingen deed:

lichteninhangen2

Het dwong me om van alles los te laten.

Daarmee kreeg ik de ruimte om ook weer dingen toe te voegen.

En om weer een stapje losser te worden.

En toen hoorde ik achteraf van mensen wat er mooi was.

En waar het beter kon.

Het dat laatste voelde totaal niet als kritiek, maar als AHA-erlebnis.

Alles wat gezegd werd, viel meteen als kwartjes in een ouderwets spaarvarken, of als zaadjes in goede aarde.

Het hielp ook dat het commentaar kwam van Geert van Diepen van het zoldertheater waar ik speelde.

Iemand met theaterervaring, en een hele mooie man.

Het gaat niet om de naam waarmee je je lessen verpakt, maar om de intentie waarmee je ze geeft.

En om het feit dat ik nog helemaal open stond, dus.

Wat ik precies geleerd heb?

Kom maar kijken in mijn volgende try outs, want dit gaat nog lang doorwerken.

Elke voorstelling wordt beter.

praatgroep

Ik zit in een praatgroep voor mensen die zo bezeten zijn van op tijd komen dat ze veel te vroeg klaar zijn, en dan iets anders gaan doen waardoor ze de tijd vergeten, vervolgens zo haasten dat ze toch weer te vroeg zouden zijn gekomen, ware het niet dat ze in de haast het adres, of de routebeschrijving thuis hebben laten liggen, wat minstens een kwartier scheelt, waardoor ze niet een uur, maar 45 minuten te vroeg zijn, omdat ze zich in de tijd hebben vergist.

Tegen de tijd dat de begeleider er is, zijn we eigenlijk al weer uitgepraat.

de cirkel is rond

En toen sprak ik Xandra.

Dat moest even, want al die plannetjes die ik er uit hadden geknikkerd, kwamen zo maar opeens hardop in mijn hoofd spoken. “Maar wat als de kaarten nu heel anders liggen?”, zeiden ze.

 

Previously on Jacob Jan Voerman:

In 2013 heeft JJV alle mooie ideeën uit zijn hoofd geflikkerd om nog maar aan één ding te werken: theater maken. Dat lukte. Maar de verkoop van de kaarten blijft achter, en het geld raakt op. Wat nu? Dat was de spannende seizoensfinale.

Het nieuwe seizoen begon met plannen om kleinere theaters te zoeken, en om naast theater maken(=vertellen), ook “het luisteren” aan te bieden aan bedrijven.

Maar de geldkwestie was niet zo maar opgelost, dus greep JJV, als een ex-verslaafde weer naar oude wilde plannen. Bij wijze van AA-meeting zocht hij Xandra van Hooff op.

 

Het fijne van Xandra is dat ze goed kan luisteren, alles binnen kan laten komen en snel kan schakelen.

Dat betekent dat ik die plannetjes niet uitvoerig hoefde uit te leggen. Als dat wel had gemoeten was ik de verdediging in gegaan, en in een soort van loopgraaf terecht gekomen.

Dat die plannetjes mooi waren, dat was duidelijk. Daar hoefden we geen tijd aan vuil te maken.

Daarom was er alle ruimte voor de vraag, wat ik daar mee moest, welke rol ik daar in kon spelen. Welke rol ik daar in wílde spelen.

En toen die vraag eenmaal op tafel kwam, kon hij dus ook rechtstreeks bij me binnen komen. (Ik zat immers niet in die loopgraaf?)

Xandra stapte, samen met mij, mijn hoge-snelheids-gedachten-trein uit. En daar stonden we, op het perron van gevoel. En daar was ook het antwoord.

Als iemand je eigen woorden terug geeft, en er komen tranen op, weet je meteen wat er wél klopt, geloof me.

Het vertellen klopt.

Het luisteren klopt.

De wilde plannetjes zijn voor iemand anders.

 

De woorden die de tranen brachten waren:

Jij wil voorkomen dat mensen in hun werk gefrustreerd raken in hun goede bedoelingen, en daardoor ofwel afgebrand raken, ofwel cynisch worden.

De tranen kwamen natuurlijk omdat dat precies is wat er met mij gebeurd was. Meerdere keren. En omdat ik nu pas besef wat ik toen nodig had.

Gezien worden. Echt gezien. Zodat er ruimte ontstaat om kwetsbaar te zijn.

En dat is iets waarvan ik weet dat ik het kan geven. Aandacht. Onvoorwaardelijke aandacht. Randvoorwaarden scheppen om kwetsbaarheid een plek geven.

Brené Brown heeft al aangetoond hoe belangrijk dat is. Ik weet hoe je het de ruimte geeft.

Dat gaan mijn luistersessies worden, voor bedrijven.

En die luistersessies zijn de voedingsbodem voor mijn verhalen, voor mijn theater, zoals mijn huidige theatervoorstelling ook is voortgekomen uit mijn aandacht voor de mensen die ik ooit tegen kwam.

De cirkel is rond.

Xandra Van Hooff ontdekt het/de gave in mensen. Als vroedvrouw, of als tuinman helpt ze je om het zelf te koesteren.

Je kunt haar hier vinden: Gave mensen

(Geen affliate link)

 

 

 

 

 

slechte schoenmaker ben ik

Want ik heb een beetje moeite om me bij mijn leest te houden.

Mijn theater, de planken, het podium, het verhaal, de inspiratie.

Dat alles blijft mijn kern, en daar ga ik niet meer van af.

Dat gaat minder hard dan ik wil. In ieder geval minder rechtstreeks dan ik wil. Dus doe ik nu af en toe even mijn oogkleppen af. Want er moet geld binnen komen. En ik ga breder kijken.  En dat is gevaarlijk. Dan zie ik weer heel veel waar ik me mee wil bemoeien.

Ik schreef daar deze post al over. Dat gaat over focus, oogkleppen, de weg, en het doel. Maar die was een beetje te filosofisch. Dat was mijn hoofd. Vandaag schrijf ik over het gevoel daarbij.

Het voelt nogal  . . .

niet te beschrijven

de woorden heftig en wanhopig, maar daartussendoor zit ook een toefje enthousiasme, en hoopvol.

Misschien is verwarrend wel een goede beschrijving.

Want wat er nu bij me op komt zijn oude grote ideeën van mij, in een nieuw jasje. Groter dan op een podium staan. Dat podium zou daar onderdeel van kunnen zijn. Maar ik zou daar gewoon af moeten blijven, want dat podium schiet ook nog niet erg op, dus wat moet ik nu met iets dat nóg groter is?

(En, vraagt een kritische stem in mij, mij af, is dit niet afleiding zoeken, om weg te kunnen blijven bij je gevoel van mislukking? Moet je niet 110% energie in dat theater van je gaan steken, in plaats van deze zijweg? En ja, stamel ik dan terug. Maar ik sta nu echt even droog met ideeën over marketing. Ik heb een goed theater, de recensies zijn mooi, het wordt straks alleen maar mooier, maar hoe kom ik aan publiek? Roepen helpt niet, weet ik nu. Mag het alsjeblieft allebei? Ook aan de slag me dat andere idee? Al was het maar om in beweging te blijven, vertrouwen op te bouwen?)

Ik was al bijna begonnen aan een blog te schrijven over een ontwikkeling die ik aan zie komen, en die ik nodig vind.

Dit blog van mij is krabben, aan die jeuk.

Misschien niet handig om te krabben, maar ja, dat heb je met krabben, dat kun je soms niet laten.

Misschien moet ik niet krabben, maar wonden likken, en opstaan.

Ik heb meer dan een jaar lang geen last gehad van dit soort gewiebel. Mijn focus was heel helder. Aaarg. Ik wil dat klikje, waarmee alles op zijn plaats valt. Ik wil voelen dat alles past. Ik haat het als het zo wiebelt. Ook al weet ik dat het er bij hoort. (Maar ja dat was mijn hoofd, die dat wist, in dat blog)

Ken je die tuimelaar?

tuimelaar

 

Die komt altijd weer overeind. Maar als je hem een hele grote zwieper geeft kan hij aardig rond tollen.

Dat doe ik nu, en ik ben er duizelig van.

En dan lees ik een oude blogpost terug.

Die me waarschuwt, maar tegelijkertijd ook gerust stelt.

De waarschuwing: Niet opgeven! (nee doe ik niet) en Focus houden (eeh… ja en dan zonder oogkleppen.. waar is de balans?)

De geruststelling: Ik ben een jaar verder, en heb al zo veel geleerd op het podium. De onzekerheid die ik daar nog had is voor een heel groot deel verdwenen!