Anderen eren, dat doen we te weinig

Ik vermoed dat we bij elke omwenteling veel kinderen met het badwater weg gooien.

Het duurt dan altijd weer even voordat we die dingen weer kunnen zien voor wat ze zijn. Zonder de negatieve dingen die er aan kleefden.

Eren is denk ik zoiets.

Eren is al een tijdje uit de mode. Het heeft een jaren 50 spruitjesgeur.

Nou ja, voor mij wel in ieder geval.

“Eert uw vader en uw moeder”  had voor mij een negatieve klank. Vooral vanwege de verplichting die er aan vast zat. En het idee dat de vorige generatie in alles gelijk had. Het verstikte mij. Als de oude generatie alles bepaalt, hoe kan er dan plek voor mij zijn?

Een andere negatieve was het “op een voetstuk zetten”. Moet je niet doen, inderdaad. Mensen op een voetstuk zetten. Je versteent ze daarmee.

Sowieso heeft da hele woordje eer nog al wat vervelende betekenissen gekregen.

En toch.

Nu wil ik heel graag een aantal mensen eren. Ik wil juist dat woord gebruiken, in de vorm van de bewondering voor wat ze voor elkaar hebben gekregen. Ik zie en erken wat ze verzet hebben (al weet ik nog niet eens de helft van wat ze allemaal gedaan hebben), en ik wil daar ruimte voor. Pas op de plaats in eerbied.

De bouwers van de Vallei.

De plek waar ik nu thuis kom.

En ik besef nu ten volle hoe dankbaar ik ben voor de bouwers van die plek.

Mensen die keihard vochten. Crises hebben doorstaan. Door zijn gegaan op momenten dat stoppen zo voor de hand leek te liggen.

Die mensen hebben er zo veel energie gestoken, hebben zo hard geloofd in deze plek. Die mensen hebben deze plek gecreëerd. Uit het niks.

Die mensen hebben een huis gebouwd waar ik mag zijn en waar ik mee mag bouwen.

Ik zet ze niet op een voetstuk.

En ze zijn gelukkig al helemaal niet zo’n oude garde die alles bepaalt.

Maar ik maak met dit blog wel een hele diepe buiging voor ze.

 

ik hou zo van mijn leven

Als je het me een jaar geleden verteld had, had ik het niet geloofd.

Letterlijk te mooi om waar te kunnen zijn. Op zo veel punten dat ik nog steeds verbaasd ben.

En nu zit ik er middenin.

Een borrel ter afsluiting met het fijnste team ter wereld. Op de fijnste school die ik me kan voorstellen. Ook letterlijk. Want steeds als we ons iets beters voor kunnen stellen gaan we dat gewoon doen.

Dat.

Kinderen die nu al in mijn hart zitten en waar ik nog jaren mee mag spelen, leren en beleven.

Ja ik heb vreselijk veel zin in die eerste dag na de vakantie.

Maar nu eerst genieten van mijn eigen kinderen.

Even resetten, niks doen.

Naar Engeland gaan (een oude wens).

Wat meer blogposts schrijven. Dat laatste wordt zoeken, want over de mooiste momenten kan ik niet schrijven. Dat is te privé, te herkenbaar voor de kinderen. Niet omdat die dingen verborgen moeten blijven, maar gewoon omdat ze van ons zijn. Van de kinderen en mij.

En ik ga misschien wel nieuwe fabels schrijven.

Nou ja.

2015 blijft maar mooier worden.

Ik hou zo van mijn leven.

Ik denk niet dat dat ooit nog over gaat.

Het onderwijs heeft maar twee opdrachtgevers

Ik dacht eerst dat het er maar eentje was.

De leerling zelf.

en toen beseft ik dat er nog een was.

Die zelfde leerling, over – pak hem beet – 10 tot 20 jaar.

Dat zijn ze.

De mensen waar je rekening mee moet houden in het onderwijs.

Ouders?

Dat zijn geen opdrachtgevers, dat zijn co-partners. Mede aannemers.

De maatschappij?

Hallo!

Dat zíjn die leerlingen, over – pak em beet-  10 tot 20 jaar

De leerling over 10 tot 20 jaar. Dat bestaat uit twee componenten.

De leerling

en die 10 tot 20 jaar.

De leerling weet alles over de leerling.

Wij weten een heel klein beetje over die 10 tot 20 jaar.

Even voor de goede orde, niet over hoe de wereld er dan uit ziet. Daar weten we jack-shit over. (Sorry voor de Amerikaanse uitdrukking, ik heb net een Stephen King boek gelezen). We weten alleen iets over wat die 10 tot 20 jaar met je kan doen. Ervaringsdeskundigheid, meer niet.

En ja, we weten van alles over de wereld. De wereld zoals die nu is. Maar hoe weten we dat wat we weten ook is wat er nodig is?

Daar zouden we best een beetje bescheidener over mogen zijn.

Tijd om te beseffen wat we allemaal niet weten.

Misschien moeten we dáár een vak van maken.

 

Het was schitterend, mijn ‘laatste optreden’

Jammer als je er niet bij was.

16 mensen waren er, en ze gingen een beetje verspreid zitten.

Ze waren fantastisch publiek.

En ze waren onder de indruk.

Een hele fijne afsluiting, die geen einde is.

Ik ga zeker nog op twee plekken dit verhaal doen. En misschien zijn er wel middelbare scholen waar ik het kan vertellen.

Maar ik ga zelf geen zalen meer boeken en publiek werven. Ik laat me boeken.

Dat voelt heerlijk.

Naast deze voorstelling ga ik kleinere vertelfestivals bezoeken. Dan kan ik werken aan mijn techniek.

Die kan veel beter.

Ik ga te snel, sta te onrustig, mijn ademhaling zit te hoog.

Als ik zit wordt dat allemaal veel beter, maar staand wil ik ook de rust kunnen pakken.

Dat gaat me lukken.

Mooi zo, deze stap. Het voelt als een stap vooruit. Als je me een jaar geleden verteld had dat ik dit zo zou voelen, had ik je niet geloofd.  Ook dat is een enorme stap vooruit.

En dan Kobe.

Groot dromen en kleine stappen maken, leerde Margreet op de “geef-zelf-je-boek uit” cursus.

Kleine stappen. Stappen waarbij ik me goed blijf voelen.

Hoe zit het dan met die  comfortzone?

Ik weet het eerlijk niet. Misschien ga ik ooit nog een keer zo’n grote stap zetten dat ik weer schrik van mezelf.

Maar nu even niet.

Voor nu heb ik het gevoel dat ik veel sneller groei door mijn comfortzone met me mee te nemen. Op te rekken, als het ware. Ik voel me krachtig bij alles wat ik doe, ook de nieuwe dingen die ik op pak.  Ik zet reuzenstappen zo. Zonder te springen. Dat wil ik graag nog even zo houden.

 

laatste keer SPIEGELS

Vanavond (29 juni 2015), speel ik mijn stuk SPIEGELS voor de laatste keer.

In het openbaar dan. Ik heb hier en daar nog afspraken om het te spelen op speciale gelegenheden.

Niet het eind dat ik me had voorgesteld toen ik begon.

Mislukking?

Nee. Ik heb een stuk op de planken gezet. Ik heb het meerdere malen gespeeld. Dat mag ik vieren.

Maar in mijn hoofd had ik het groter gemaakt. Naar de sterren gereikt. Ik heb mezelf opgepompt. Als een soort alles of niets heb ik mij er in gestort. Ik denk dat ik dat nodig had, die oogkleppen, omdat ik anders niet durfde.

En misschien was het alleen een oerbehoefte om gehoord te worden.

Want dat grote hoeft niet meer zo.

Ook de kleinere zaal van de Bieb zit morgen niet vol. En dat is goed.

Klein is mooi, dat heb ik afgelopen weekend op het vertelfestival op de Duivelsberg ervaren. Daar was vertellen een plezier.

Dat plezier ga ik morgen ook hebben.

Het is goed zo.

Ik vertel niet meer om gehoord te worden. Dat was aandacht halen. Ik vertel nu om iets te brengen, een mooi verhaal.

Het enige waar ik me een soort van schuldig over voel, zijn al die mensen die me zo enthousiast steunden in mijn grootse plannen. Ze geloofden er in, en het is net of ik ze nu verraad.

Ik wil deze mensen hier heel erg bedanken. Het heeft me namelijk zo veel gebracht, dit avontuur. Ik zou heel graag iets terug willen doen.

En lieve bezoekers vanavond . . . Ik heb er zin in!

 

 

aan de rafelranden van het leven, daar gebeurt het

Het is voor mij niet langer een leuke omdenk-kreet of een gaaf idee.

Ik zie het gewoon voor mijn ogen gebeuren.

Van fouten leer je.

Daar had ik niks mee, omdat er zo’n Calvinistisch tintje aan kleefde, zo van: ‘het is erg genoeg dat je een fout maakt, en nu zul je er van leren ook, zodat je het niet nog een keer doet, denkdurom!’

(dat heb ik er zelf op geplakt hoor, dat calvinistische, denk ik)

En het idee van Willem de Ridder om een commité op te richten ter verwelkoming van rampen.

Die vond ik geweldig maar niet erg begerenswaardig. Liever maar toch geen rampen, dacht ik.

Maar nu!

Maar nu zie ik dingen gebeuren op school, kleine rampen, dingen waarvan je zou willen dat ze niet gebeuren. Ruzies en gedoe.

Maar uit die ruzies en dat gedoe zie ik zulke mooie dingen voortkomen.

Er worden lessen geleerd voor het leven. Mooier dan welke methode ook kan aandragen.

Wie kan je betere levenslessen geven dat het leven zelf?

Dat is waar natuurlijk leren over gaat.

Niet alles willen beheersen. Chaos toelaten.

Niet te veel. Maar wat is te veel?

Steeds opnieuw die vraag durven stellen. En er zijn, voor de kinderen. Onvoorwaardelijk.

Ik ze kinderen groeien. Ik zie kinderen dingen doen waar volwassenen nog tegen aan hikken.

Ik zie ze joekels van fouten maken en overeind blijven.

Ik bewonder ze, allemaal. Alle kinderen en al het gedoe dat ze veroorzaken.

Dat wordt de kern van de nieuwe fabel van Margreet en mij.

Het bewonderbeest.

“Ik ben het bewonderbeest, en je kreukels bewonder ik het allermeest”

Want dat is waar het gebeurt.

Aan de rafelranden van het leven.

 

En dan krijg je dus zoiets als dit

Wat ik van Elja leer is dat je best wat simpeler kunt bloggen.

Dat niet elk blog een mooi rond verhaal hoeft te zijn met een goed uitgedachte gedachte.

Dus zo maar even wat losse flodders.

Over dat ik me zorgen loop te maken of ons boek wel gaat lukken, want de teller stokt een beetje. En dat ik dan dus echt niet weet wat ik moet doen om mensen zo ver te krijgen dat ze ook echt gaan doneren. Het boek is goed toch?

Ja, het boek is goed. (als je mijn spam gemist hebt, hier staat het)

En dat je door die zorgen bijna vergeet hoe geweldig ik het heb. Dat er op school (=werk) zulke mooie dingen gebeuren. Dat mijn kinderen (=thuis) zulke gave dingen doen. Dat ik hele mooie mensen ken die ook weer hele mooie dingen doen (=jij).

Ik heb dus eigenlijk te veel stof voor blogs.

Wat ik op een dag op school allemaal zie! Hele gewone dingen, die heel veel betekenen, in relatie tot de kinderen waar het over gaat. Ik schrijf me helemaal suf in ons volgsysteem.

En dat ik hele nieuwe dimensies ontdek in de creatiespiraal, nu ik die gebruik om kinderen te coachen naar hun wens. (ja ik heb gezien dat er een speciale kindercreatiespiraal is, maar ik ben daar niet zo weg van, eerlijk gezegd)

Dat het boek “Black Swann” best een eye opener is, maar ook weer niet. De schrijver is me net iets te drammerig en te veel overtuigd van zijn gelijk en zijn genialiteit. Ik zou daar een heel grondig stuk over moeten schrijven, over wat hij in mijn ogen verkeerd aan pakt. Maar ik laat het. Net zoals ik het boek niet uitgelezen heb. Ik weet het nou wel. Er valt niks te voorspellen. Ja duh. Dat verwachtte ik ook niet. Dat schoppen is helemaal niet nodig. Ik lees in “De algehele geschiedenis van het denken” in 1,5 bladzijde waar Taleb een heel boek over doet. Een Groninger kan het nog korter: “Je kunt nooit weten” samen met “Achteraf heeft iedereen gelijk”.  Dus Elja, geeft niks als je het niet uitgelezen hebt.

Dat je zo veel leeft dat je bijna geen tijd meer hebt voor bloggen. En dat dat gek genoeg niet betekent dat je tegen bloggers zou moeten zeggen:  “Get a life!” Bloggen is ook leven.

Dat het wel betekent, voor mezelf dan, ga hier geen algemeenheden uithalen alsjeblieft…

… dat het wel betekent dat ik geen tijd heb om lekker te mijmeren over dingen, en dat misschien daardoor ik stappen zet die ik niet voor mogelijk had gehouden.

Ik ontdek nu door te doen, en niet door te reflecteren.

Ken je Kolb?

Nou ik was dus altijd een hele grote dromer. Eindeloos kunnen reflecteren op wat gebeurd is.

En ik lijk nu veel meer op een doener. Intuïtief pak ik van alles aan. Gewoon uitproberen, kijken wat werkt. En door.

En er dan wel nog over nadenken hoor. Maar niet zo coherent dat ik daar goede doorwrochte blogs over kan schrijven.

En dan krijg je dus zoiets als dit.

En dat kan ook,

leer ik van Elja.

Dank.

 

 

Hoe ik de Lol niet in het ondernemerschap vond

Ik wilde ondernemer zijn.

Nee, dat is niet waar.

Ik wilde iets niet.

Ik wilde niet meer in een strak regiem dingen doen waarvan ik het nut niet in zag.

Dus ik stapte er uit. En dat was de eerste maanden heerlijk. Het was ook nodig. Ik schudde alle in-de-pas-loop gedrag van me af.

Maar toen.

Toen moesten er klanten komen. Bezoekers, in mijn geval. En toen ging de lol er af, en werd het gezwoeg.

Het voelde als leuren en trekken. Ik had ook niet echt een idee wat het dan was dat ik bood.

Want beroemd worden met het theater was een droom, maar wel eentje met een lange weg. Dus er moest iets komen als brood voor onderweg.

Maar wat?

Wat was het wat ik deed? Dat had ik niet helder.

Ik ben niet op mijn best als ik iets doe. Ik ben op mijn best als ik iets ben.

Tja, verkoop dat maar eens.

Gelukkig hoefde het niet.

Ik vond een plek waar mijn zijn van waarde was. Basisschool de Vallei.

En daar is de lol weer terug. En het “nog een keertje! nog een keertje”. Kinderen sleuren je steeds weer terug naar het nu.

En dat is mooi.

Ondernemen was te veel ‘straks’ voor mij.

 

(deze post is geschreven voor de Kommaarop van 5 juni)

kwetsbaar met kinderen

Niet aan denken.

Aan wat kinderen kan overkomen.

Vorige week waren ze met zijn vieren klimmen in Duitsland. In onze auto want oudste dochter had net rijbewijs.

Denken aan het plezier dat ze hebben, en niet aan dat andere.

Tweede dochter is nu op Rock am Ring.

Wij lachen om de sms-jes over tenten die omwaaien en onweer.

Totdat we in de krant lezen dat er 6 mensen getroffen zijn door de bliksem.

Niet aan denken.

Alleen maar aan het plezier dat ze beleven.

 

Het móest wel een keer fout gaan, en das heel niet erg, gek genoeg

Jaa.

Ik heb deze week even weer de ‘andere kant’ geproefd. En mijn passie leeft nog.

Het ging allemaal zo lekker dat ik er een beetje wantrouwend van werd.

Nu dus een paar dingen die ik anders had gewild. Beter. Mooier.

En heel even kwam het ‘ben ik wel goed genoeg’ gevoel naar boven. Ik herkende het, als een oude vijand.

Ik ben er niet in gegaan, maar wist dus wel weer even hoe het voelde.

Nu besloten dat ik zelf beslis of ik wel goed genoeg ben. En dat ik alleen te maken heb met mijn interne criticus (die me scherp houdt, en waar ik intussen mee door een deur kan) en me niet meer laat lijden door mijn interne bangerik. (schrijffout intended)

Ik heb het nu zo geregeld dat mijn interne criticus mijn bangerik gerust kan stellen, als een soort kwaliteitsbewaker.

Hij geeft ook geen Foei!-boodschappen meer, die interne criticus.
Meer iets in de trant van: “verdient geen schoonheidsprijs, maar geen man overboord.”
Of: “Misschien moet je er eens aan gaan wennen dat dit niet je sterke kant is” (Bij regeldingen en overzicht houden, bijvoorbeeld)

 

en overigens ben ik van mening dat je mijn boek moet kopen:

kobe spring

 

klik op afbeelding  voor meer informatie