nu ook aan de buitenkant

 

– Hee. Psst.

Ja?

– kan ik je even spreken?

Eh, ja. Maar wacht even. Hebben we de rollen niet omgedraaid? Jij bent toch mijn innerlijke stem? Ik ben toch altijd degene die jou aanroept?

– hm hm

En waarom wil je mij nu spreken?

– Ik wil dat jij zelf benoemt wat je geflikt hebt deze week. Zonder dat je dat aan mij vraagt.

Wat geflikt?

– Nou, je was een tijdje aan het draaien. Je zat in de mist. Was heel hard aan het proberen. Beetje persen leek het wel. Alsof je verstopping had.

Niet zo platsisch.

– Kom op. Het klopt toch gewoon?

eh. Ja.

– Okee. Wat ik nu van je wil is dat je mij vertelt hoe je daar uit gekomen bent.

Maar dat weet je toch al?

– Ja ik weet het. Maar dat is vanuit mijn kant (de binnenkant) niet zo moeilijk te zien. Ik wil dat jij het vanuit jouw kant benoemt. Ontdekt. Zodat je als het ware een kaart maakt. Voor als je weer een keer de weg kwijt bent. Zodat je ziet dat je er ook vanaf de buitenkant bij kan.

En jij denkt dat… Nee wacht. dat hoef je niet te beantwoorden. Jij weet dat mij dit gaat lukken. Goed. Hier komt ie. Ik begin met wat losse flodders.

Een van de dingen die me op viel was dat ik geen echte lol had in wat ik schreef. Zelfs al vond ik ze niet eens slecht.

Wat me ook op viel is dat ik mijn gemoed analyseerde. Meestal ben ik daar erg tevreden mee.

Maar nu niet.

Pas toen ik dat hardop durfde te voelen, kantelde er iets.

Het was niet loslaten wat ik deed. Niet van dat mooie theatrale loslaten, en gezuiverd worden.

Er was niks zuivers aan. Het was nog steeds erg stoffig.

En ergens vond ik de moed om dat goed te vinden. Om mij goed te vinden.

– Zonder dat je mij daar bij nodig had.

Jij bent toch mij?

– Ik bedoel dat je de rijstebrijberg helemaal vanaf jouw kant door geploeterd hebt. Zonder verheven in-je-zelf-kijkerij.

Dus ik heb jou eigenlijk niet nodig?

– … Ja, dat bedoel ik.

Je aarzelde..

– Hee. Gaan we de rollen omdraaien?

Ja, want ik krijg iets door. Jij houdt dit graag in stand. En ik ook. Maar we weten beiden dat dit een soort “onzichtbaar vriendje” gedoe is. En dat ik, als ik er echt voor ga staan, dat niet nodig heb. Dat dit iets is dat ik gewoon altijd en overal kan. Direct. Ter plekke. Zonder in een soort conclaaf te gaan met jou.

– Lieve Dombo. Het wordt tijd dat je zonder veertje gaat vliegen. Ik ben niet alleen altijd bij je, ik ben jou altijd.

 

 

 

Van wie ik leer Helen Soler

Ik zag Helen vandaag.

En ik vind haar mooi omdat ze . . .

. . .het doet met wat er is.

Niet wat er zou moeten zijn.

Niet met wat ze zou willen dat er is.

Niet met wat ze kan visualiseren en daarmee bezweren.

Nee.

Gewoon met de mooie en minder mooie werkelijkheid.

Zoals die zich aan dient.

Zo simpel.

en zo moeilijk.

en zo mooi in al zijn rouwheid.

En daarom is ze wie ze is

en niet wie ze zou moeten zijn.

Want durven wankelen is pas echt stevig zijn.

groot zijn en klein maken

Ik voelde me lekker, die twee dagen gebarentaalcursus vorige week.

Een collega zag dat aan me.

Wat straal jij hier veel meer uit dan op kantoor!

Tja. Wat ik op kantoor doe is verslagen schrijven voor het UWV en andere opdrachtgevers. Mijn uren schrijven in een systeem. En andere dingen waar ik niet goed in ben.

Als ik onzeker ben in wat ik doe, maak ik me klein. Afwezig, bijna. Dat gebeurt steeds als ik mijn best doe om de dingen te doen zoals men ze hoort te doen.

Zodra ik stop met me af te vragen

Hoe hoort het eigenlijk?”

ben ik mezelf.

Ook dan kan het zijn dat ik dingen nog niet weet. Zoals in die cursus (want ik ben helemaal niet zo’n kei in gebarentaal). Maar de vraag is dan anders. De vraag is dan:

Hoe krijg ik dit voor elkaar?

Het verschil is letterlijk levensgroot.

Die eerste vraag komt voort uit angst voor afwijzing, de laatste vraag komt voort uit mijn eigen motivatie.

Thema.

Veranderen, leren, aanpassen. Allemaal natuurlijke groeiprocessen.

Maar vreselijk contraproductief als ze ingegeven worden vanuit angst.

Als ik me klein voel, duurt het soms even voor ik dat weer door heb.

 

gewoon iets niet kunnen, dat kan ik dus niet.

“Ik weet wel hoe dat moet, lekkere teksten schrijven”

had ik met veel bravoure geroepen.

De OPCI (landelijk platform CI gebruikers) had een webredacteur nodig.

Ik met mijn stomme kop,

en mijn grote mond.

Ik had gezegd dat dit beter kon.

Daar waren ze het bij de OPCI mee eens. Ze zochten niet voor niets een webmaster.

Nu is een groepje mensen druk bezig aan het schrijven. En ik moet morgen mijn stukje inleveren.

Maar ik kan dat dus helemaal niet. Informatie overzichtelijk brengen.

Dus nu maar gewoon eens toegeven dat er dingen zijn waarvan ik wel zie hoe ze beter kunnen, maar waar ik verder met mijn poten van af moet blijven. Gewoon omdat ik het niet kan, dat beter doen.

Gewoon iets niet kunnen. Niet zo moeilijk toch?

Waarom doe ik er dan een half jaar over om dat toe te geven?

Levenslessen 28, tijd om zaken op een rij te zetten

Iemand vroeg naar aanleiding van mijn cursus gebarentaal om wat meer gebaren te gebruiken. Bij deze.

Let op dit is geen gebarentaal (NGT). bij gebarentaal verandert de woordvolgorde, om het plaatje sneller duidelijk te krijgen.

Dit is NmG, Nederlands met gebaren. Gewone Nederlandse zinnen, met hier en daar ondersteuning met een gebaar.

 

en de directe link

kerken moeten hun functie als community weer oppakken

In 2006 ben ik lid geworden van een kerk.

Ik wilde me aansluiten bij een gemeenschap die zich op eenzelfde manier met levensvragen bezig hield als ik.

Wat er al aan social media was, wist ik toen nog niet te vinden, dus deed ik dat IRL.

Nu pas, achteraf, besef ik dat wat ik toen zocht, nu een “community” heet.

En dat de kerk daar al heel lang een woord voor heeft:

gemeente.

Waarom heeft het mij zo lang gekost die gemeente te vinden (ik was 44), en waarom vinden mensen die gemeentes nu nog steeds niet?

Omdat de kerk de mensen verjaagd heeft.

Door voor hun leden te bepalen wat ze moeten geloven en denken.

Doordat de kerk zich niet als community heeft gedragen maar als despoot.

Ja, dat is allemaal kort door de bocht, en DE kerk bestaat niet, maar het is wel het algemene beeld. En kerken doen te weinig om dat beeld recht te zetten.

Ze zijn er gelukkig wel.

Kerken die niet beweren dat hun geloof het beste geloof is.

Kerken die hun leden zelf hun geloofsbrieven laten schrijven.

Vrijzinnigen, worden ze genoemd.

Van zo’n gemeenschap ben ik lid geworden. De Doopsgezinde-Remonstrantse gemeente in Nijmegen.

Daar komen mensen samen om met elkaar het jachtige leven even te ontvluchten. Om stil te staan bij wat wezenlijk is. Luisteren naar binnen. Contact maken met het hogere, hoe dat er dan ook uit ziet. Contact maken met elkaar. En vandaaruit handelend de wereld in. Oppakken wat je hart in geeft, om een mooiere wereld te scheppen.

Niet zo heel veel anders dan al die mooie initiatieven die ik op de social media tegen kom. Waarmakerijen, instawalks, blogpraten, TED-talks. Een groeiend aantal virtuele gemeentes waar mensen elkaar vinden, zichzelf vinden, en zich opnieuw vanuit hun eigenheid verbinden met de wereld.

Dat is de oorspronkelijke kracht geweest van de eerste christelijk gemeentes. Dat is de rol die kerken weer op moeten pakken.

Waarom kerken? Die zijn toch uitgespeeld?

Omdat het zonde zou zijn om wat wij in onze cultuur hebben opgebouwd aan manieren om ons te bezinnen op het leven, weg te gooien.

We hebben mooie verhalen, mooie rituelen. Het feit dat we ze eeuwenlang misbruikt hebben als dwangbuis, betekent niet dat ze geen waarde meer hebben.

Mijn kerk wil graag in die andere rol stappen. Niet de waarheid in pacht. Wel veel moois te bieden.

De site van onze gemeente begint met:

Onze gemeente wil een open gemeente zijn, waar mensen zich thuis voelen en mogen zijn zoals ze zijn.

Dat is nog eens een boodschap.

Vanmorgen heb ik vergaderd over hoe we de website van de kerk daar voor in kunnen zetten.

Het zal nog even duren voordat daar iets van te zien is, maar ik krijg het gevoel dat het heel mooi gaat worden.

verhalen vertellen doe je met je lijf

Alle verhalenvertellers zouden een cursus gebarentaal moeten doen.

Gebarentaal is beeldend.

Dat heb ik twee dagen lang weer kunnen ervaren.

Lange Nederlandse zinnen, die veel woorden nodig hebben om een situatie duidelijk  te maken veranderen in:

– gebaren

– wijzen

– mimiek

Je ziet alles voor je neus gebeuren. Veel bijvoeglijk naamwoorden, voorzetsels en woordjes als heel en erg.  Ze kunnen allemaal weg!

Als ik het ooit durf zal ik eens wat laten zien.

Mooi om te zien, en lekker om te doen.

Ik voel mijn lijf ook meer,  wordt losser.

Moeten meer mensen doen.

Dan wordt er ook niet zo vaak meer verstoppertje gespeeld met gevoelens.