kinkhoest, angst en compassie

Toen Fenna een paar maanden oud was kreeg ze kinkhoest.

Het was 1996, en er was een kleine epidemie maar dat wisten we pas later, Fenna was een van de eersten. Achteraf gezien waren Teske en Dion waarschijnlijk ook meer dan heel erg verkouden.

Het ging niet goed met Fenna, en de huisarts verwees ons naar het ziekenhuis.

Gelukkig was daar een moderne begrijpende arts.

“Ik kan wel een lijst met vragen afgaan, maar jullie kennen je kind goed, dus als jullie nu eens beginnen met te vertellen wat je op valt.”, en daarmee nam hij Fenna en ons heel serieus. Hij was ook degene die op het idee van kinkhoest kwam.

Fenna werd ter observatie en om aan te sterken opgenomen Ze werd aan een zuurstofmeter gelegd, saturatiemeter, heette het, een apparaat  dat aan haar kleine vingertjes werd vastgemaakt en dat begon te piepen als ze zuurstoftekort kreeg. Zolang ze het zelf kon redden hoefde ze niet aan de beademing, vertelde de kinderarts.

Ik bleef die nacht bij haar.

Niet geslapen, want ik was ongerust. Fenna rochelde en piepte. Als ze in een hoestbui bleef ging ook het apparaat piepen. Twee verpleegkundigen kwamen binnenstormen, haalden Fenna uit haar bedje en tikten onder tegen haar voeten om de ademreflex weer op gang te brengen.

De aanvallen kwamen vaker en duurden steeds langer naar mijn gevoel. Ik legde Fenna niet meer terug in bed en hield haar in mijn armen. Ze kreeg een hoestbui en bleef er weer in, ik tikte zelf tegen haar voetjes, maar Fenna bleef slap in mijn armen hangen. Veel te lang. De verpleegkundigen kwamen binnen, maar ik wilde meer. Tikken tegen het voetje deed ik zelf al, en dat was niet genoeg, ik wilde Fenna aan de beademing. Ik wilde haar terug, voor ze te ver was. Ze zeiden dat de arts zou komen. Fenna bleef intussen slap. En toen opeens hapte ze lucht. Het was een minimale pruttel, maar ze was bij me terug.

De zaalarts kwam, en begon met vertellen dat Fenna net iets gekregen had, en dat hij nog even wilde afwachten of dat aan zou slaan. Toen keek hij naar mijn gezicht.
“Daar wil je niet op wachten hè?”, zei hij. Ik schudde nee. En zo zat ik met Fenna in de ambulance naar het Radboud, het academisch ziekenhuis waar ze aan de beademing kon.

Voorbij was het gevaar.

Fenna bleef daar nog een tijd. Klein hoopje aan slangetjes. De verpleegkundigen namen al onze vragen serieus. Legden alles uit. Nooit kregen we te horen dat we moesten wachten op de verklaring van een arts.

Deze vreselijke periode hebben we doorstaan door artsen en verpleegkundigen die ons serieus namen. Daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor.

Ik schrijf dit op omdat deze blogpost van Elja ging over compassie bij artsen en verpleegkundigen, en het weer bij me boven bracht.

grote jongens

Toen hij voor het eerst naar school ging zag Doni tot zijn grote schrik dat daar grote jongens rondliepen.

Zo noemde hij ze, de grote jongens,  ook al was een van hen kleiner dan hij.

Groot zat hem niet in lengte. Groot zat hem in de manier waarop ze keken. En in de manier waarop anderen naar de grote jongens keken. De grote jongens namen erg veel ruimte in. Letterlijk, door speelhoeken zo te bezetten dat Doni er niet bij kon, of durfde. Maar ook op een andere manier, alsof de lucht benauwder was als ze in de buurt waren.

De grote jongens waren er al. Dat vond Doni misschien wel het ergste, dat het water niet glad was.

Zijn vader werkte in een revalidatiecentrum, en daar hadden ze een eigen zwembad. Met extra warm water, had zijn vader verteld, omdat dat goed was voor de spieren, en hij legde Doni uit dat zwemmen niet alleen voor het plezier was, maar dat het gebruikt werd om de spieren losser te maken, dat er dus ook hard gewerkt werd.

Doni had één keer mogen zwemmen in dat bad.

Wat hem het meest was bijgebleven was het stille, rimpelloze wateroppervlak. Doni was daar zo van onder de indruk geweest dat hij een hele tijd had staan kijken naar die betoverende vlakte, waarin je ramen en het plafond kon zien spiegelen. Daardoorheen zag hij ook de bodem, die langzaam omhoog kwam.

Het water had  hem welkom gefluisterd,  was een uitnodiging geweest om alles te geven, alles te doen, alles te maken, alles te zijn. Heel anders dan het drukke buurtzwembad. Dat was vol lawaai. Daar kon je amper een plekje vinden om voorzichtig het water in te stappen.

De grote jongens waren als het drukke buurtbad. School voelde alsof alles al bezet was. En als ze je aankeken, de grote jongens, klonk er geen zacht fluisterend welkom, maar een indringend “opzij!”

Elke morgen hing Doni een deel van zichzelf met zijn jas aan de kapstok voordat hij het lokaal binnen ging. Het deel waar geen plaats voor was.

 

 

 

 

Over vastzitten, iedere dag bloggen en dansen

Ik had het even helemaal gehad.

Toen ging ik dansen en had ik weer ruimte.

 

Zo ging het niet helemaal, natuurlijk.

Dat ik vast zat, dat klopt wel. Een paar dagen er tussen uit hielp niet echt. Teruggekomen vond ik het allemaal zo.. zo …

Nou, ik had er gewoon genoeg van, vooral van mezelf. Ik slingerde heen en weer tussen ergernis en kapotrelativeren. Zelfs bloggen erover hielp niet.

Bijna was ik gestopt met iederedagbloggen. Bijna had ik een hele lange pauze ingelast, om daarna alleen nog maar doorwrocht te bloggen. Het is dat ik vermoedde dat dat doorwrochte er niet van zou komen. Een keer wrochten is tot daar aan toe. Bovendien had ik nergens meer zin in.

Ik wilde dat kleverige gevoel afschudden. (Precies, dat lukt dus niet, iets kleverigs afschudden)

In een vlaag van helderheid sloot ik mijn blogpost af met: “Misschien moet ik maar gaan dansen.”

De volgende dag begon ik te schrijven aan mijn dans, dat luchtte iets op. En toen wilde ik hem echt. Ik wist ook waar. Op de dijk. Mooi symbolisch.

Fototoestel mee. Mini statiefje mee.

Ik schoot wat beelden. Trein, huisje, bloempje. Mijn eigen schaduw.

Ik filmde mezelf, lopend op de dijk.

En toen kwam ik bij het gemaal. Daar maakt de dijk een extra lus. Geen auto’s en fietsers die in de weg zitten.

Ik plantte mijn toestel op een hek en begon voorzichtig mijn dans.

Ik voelde me meer bekeken dan vrij. Fietsers die hun hoofd omdraaiden. Schapen die schrokken. Maar ik danste door. Aarzelend, houterig, en dan toch even een zwier.

Soms moet je een vrijheid op jezelf bevechten. Soms moet je het doorzetten voor je het voelt. Soms moet je doordansen als je jezelf licht belachelijk voelt. (Nee dat is niet hetzelfde als ‘fake it untill you make it’)

Geen verlichte jubel hier. Niet het verhaal dat ik opeens alles van me af geschud heb. Want dat is niet zo. Nog steeds verlegen met mij logge dikke lijf, dus de beelden die dat uitvoerig laten zien er uit gehaald. Er voor in de plaats dat leuke lammetje.

Ik ben niet opeens verlicht. Ik kan niet opeens de hele wereld aan.

Ik ben wel een stuk lichter. Ik liep met een tevreden gevoel naar huis. Het is gedaan.

Het knutselen met de youtube editor was erg amateuristisch, maar ook erg leuk om te doen.

En nu ik dit schrijf, komt langzaam het besef dat het beter is zo. Niet dat himmelhoche. Meer een kalme tevredenheid.

En ik heb nog iets ontdekt. Alles waar ik genoeg van had mag weer. Soms moet je beslissen om iets niet meer te doen, voordat je het weer met frisse moed (en vanuit een andere motivatie vermoed ik) kunt doen.

dansen

dansend schrijven

schrijvend dansen

 

een blog als een dans

een blog als een dans

een blog als een dans

 

zoekend naar zingende zinnen

en vloeiende woorden

lopen de letters

in ritme en klank

waarop voeten en armen en lijf kunnen dansen

 

een blog als een dans 

een blog als een dans

een blog als een dans

 

de dans van mijn lijf wordt de dans in mijn hoofd

beroofd van betekenis

gelooft wat het teken is

beweging in woorden

zonder woorden te wegen

 

een blog als een dans

een blog als een dans

een blog als een dans

 

het hart zoekt herhaling

van het wetende wiegen

koestert kadans

sluit zich om open gaan

beweging die klopt als een dans

 

een blog als een dans

een blog als een dans 

een blog als een dans

 

En drempels verleggen. Mijn logge lijf laten zien. En vele fietsers die dachten: “wat is dat voor idioot?”

zonder titel zonder zin

Mijn hoofd roert in een veel te vol kopje. En ik leer nog wel zonder suiker te drinken.

Allemaal ideeën (sommige best goed), maar daar ga ik niet over schrijven. Want ik voel ze niet. Ze zitten in mijn hoofd, maar ze zijn niet ingedaald. Het voelt alsof ik in een soort vacuüm zit. Ik ben nog steeds de baksteen die maar niet wil vallen, en intussen zwaar op mijn eigen maag ligt.

Misschien is dit wel het moment vlak voor het moment dat het allemaal in elkaar past. Misschien ook niet.

Ik ben (denk ik, zelfs dat weet ik niet zeker) dingen aan het loslaten.

Meningen. Ik heb er geen zin meer in. Ik heb er last van dat ik er zoveel van vind. Overal van. En dat wil ik niet. Want hoe meer ik er van vind, hoe meer ik verlies.

Weten hoe het zit. Ik heb er geen zin meer in. Ik heb er last van te denken te weten hoe het zit. Een gedachtenreeks in gang zetten, en dan uitkomen bij het startpunt. Mooi natuurlijk, behalve dan dat ik er aan begonnen was om juist te bedenken hoe het anders moet. Kennelijk moet er niks anders? Is dat mijn boodschap aan mezelf?

En ik heb ook geen zin aan het “wat dan wel”. Dat zijn beloftes, voornemens. En die ga ik hier niet delen voor ik ze heb uitgevoerd. Geen woorden maar daden? Is dat het?

Hoezo het?

Ik heb er last van dat hét iets moet zijn. Er is niet zoiets als een idee, of een knip met de vingers, en alles klopt weer. Er is geen het.

Ik heb er last van dat ik dat zojuist overboord gegooid heb. Want dat idee was zo fijn, dat ik stukje bij beetje bij een oplossing kwam. Maakt niet eens uit waarvoor.  Gewoon een inzicht. Een aha. En dan lekker achterover leunen. Dat zou fijn zijn. 

Jammer hoor dat ik mezelf niet meer voor de gek kan houden.

Misschien moet ik gaan dansen.

 

 

Het laatste gordijn

De eerste keer dat hij achter het gordijn van het leven keek, stokte de adem hem in de keel.

Hij had niet geweten dat er zoiets als een gordijn was, en al helemaal niet dat daar een hele wereld achter schuil ging.

En wat voor wereld.

Eenmaal gezien gaat het gordijn nooit meer helemaal dicht, nam hij zich voor.

Die eerste jaren wilde hij niets anders dan anderen wijzen op die prachtige wereld achter het gordijn, maar hij kwam er al snel achter dat mensen niet begrepen waar hij het over had. “Gordijn? Welk gordijn?” En toen begreep hij die vragen.

Hij had het zelf toch ook nooit gezien, totdat hij het had gezien?

Langzaam zette hij stappen in die nieuwe wereld, ontdekte anderen mensen, die ook het geheim van het gordijn kenden. Hij voelde zich vrij.

Totdat hij nóg een gordijn gewaar werd.

Dunner, ijler. Het leek meer vitrage.

Maar toch echt een gordijn.

“Overgebleven flarden van het eerste gordijn”, dacht hij bij zichzelf, toen hij het opzij duwde. De verrassing lag meer in het feit dat er zoiets kon bestaan als een tweede gordijn, dan in wat hij daarachter ontdekte. Zijn blik op de wereld werd helderder, dat wel.

Hij was al minder verbaasd over het derde gordijn.

“Ik heb nog een weg te gaan”, was zijn conclusie. Het vierde gordijn begroette hij met een milde verbetenheid. En toen die eenmaal aan de kant geschoven was, ging hij meteen op zoek naar de vijfde. Hij wilde onbelemmerd zicht op de ware wereld.

Steeds directer ging hij op zijn doel af. Hij scheurde de gordijnen opzij, vertrapte ze, in de haast om verder te komen.

Laag na laag, na laag.

De vloer raakt bezaaid met gescheurde flarden, en hij struikelde.

Hij zat op de grond, keek om zich heen, en nam toen een paar flarden in zijn hand.

Er stonden letters op, zag hij, woorden, zinnen.

Hij keek achterom naar het gat dat hij geslagen had in zijn wereld, en weer terug naar de flarden gordijn met tekst in zijn hand.

Hij zag nu dat de gordijnen bladzijden waren van het boek dat hij leefde. Bladzijden die hij gescheurd had, en ongelezen aan de kant had gegooid.

Maar hoe kon dat?  Waarom had hij die letters niet eerder gezien? Bovendien, het gordijn dat voor hem hing was leeg, er stonden geen woorden op.

Toen pas zag hij de pen die onder het gordijn op de grond lag.

Hij pakte hem op, haalde de dop eraf en begon te schrijven.

 

 

Kleine pauze

Ik zit in Duitsland.

Nou ja, ik zit gewoon nog op de bank, maar deze post ga ik schedulen. Die komt pas woensdag online. En dan zit ik dus in Duitsland.

Zonder internet.

Cold Turkey.

Wandelen en lezen.

Heel gezond.

Vrijdagavond ben ik weer terug, en ik denk dat ik zondag pas weer een blogpost heb.

Dat is het iedere-dag-bloggen-behalve-als-je-niet-blogt-bloggen.

 

Voor wie toch iets wil lezen, en het nog niet gelezen heeft, vorig jaar plaatste ik in de meivakantie een vervolgverhaal:

De toren.

Archeologische vondsten uit de 21e eeuw. Deel 3, de Kloot

DSCN0449

De 21e eeuw.

Een eeuw waar wij maar zeer weinig over weten. De eeuw die ook wel de tweede prehistorie is genoemd, omdat er hoegenaamd geen historische bronnen beschikbaar zijn.

In de paar boeken, kranten en tijdschriften die in het begin van deze eeuw nog wel verschenen, is te achterhalen dat men volledig ging vertrouwen op electronische opslag en communicatie. Dat betekent dat alles uit deze eeuw verloren is gegaan bij de ElectroMagnetische Puls van 21 december 2112 (9:12 PM).

Daarom nu een speciale serie.

Aan de hand van archeologische voorwerpen neem ik u mee naar deze bijzondere eeuw. Om in stijl te blijven presenteer ik u deze serie in een vorm die in die XXIe eeuw zelf bijzonder populair was. De vlog.

Hier staat deel 1

Hier staat deel 2

 

En dan nu deel 3. De Kloot.

En de rechtstreekse link