zonder vonkenvanger

Soms zit je middenin een zware bui
en als het dan geen zomer is
of op zijn minst een beetje lente
dan schudt zo’n bui zo lastig af
en is blijmoedig ondergaan
laat staan genieten
geen handomdraai
en ook geen twee

Vooral als je met je stomme kop
te veel weet
(die grote blauwe veeg
op buienradar hebt gezien
die langzaam
en precies in de lengte
over jouw stukje Nederland trekt)

Een lelijk weten afschudden
is namelijk nóg lastiger
zelfs als je weet
dat het weten
je voor de gek houdt
want misschien ook niet

Dan
als je het helemaal bent vergeten
dan
is het tijd voor dat andere weten
en als het hapert
verzin je eerst maar wat
dat die wolk van boven gezien
zacht donzend mooi is, bijvoorbeeld
en als je daar te nat voor bent
dat kan zo maar
verzinnen, heeft een vonk nodig
luister dan naar verhalen
want binnenin een goed verhaal
zit een knapperende haard

 

respect is een cadeau

Een anti-spijbeltraining moest ze krijgen, maar ík was het die leerde.

Alweer.

Na Natka¹, wéér een puber die mijn ogen opende.

Özlem was een vlotte Turkse meid. Strakke spijkerbroek, flitsend jasje, los haar.

Ze woonde met haar moeder en haar kleine broertje in een flat in een grote stad. Haar vader was gestorven, haar grote broer was er nooit.

Er kwam wel allerlei volk over de vloer, want het kleine broertje had leerproblemen én gedragsproblemen. Özlem probeerde haar moeder zo veel mogelijk te helpen, maar ook zij snapte niet veel van alle adviezen.

Ze spijbelde omdat het leven zo veel aandacht vroeg. En soms omdat er geen geld was voor een strippenkaart. Özlem mocht niet alleen fietsen als het donker was.

Op een keer kwam ze binnen met hoofddoek. Ook haar kledingstijl was wat degelijker.

Ze zag me kijken, en legde uit:

“Mijn moeder is deze zomer in Turkije getrouwd. Mijn nieuwe vader is net aangekomen in Nederland. Hij vind het prettiger als ik een hoofddoek draag.”

“En jijzelf?”, vroeg ik.

Ik kreeg een geïrriteerde zucht. Ze rolde nog net niet met haar ogen, en toen zei ze:
“Ik doe dit voor mijn vader. Logisch toch? Mijn moeder heeft  voor hem gekozen. Hij is nu mijn vader en hij krijgt mijn respect. Ik snap Hollandse kinderen niet. Het lijkt wel of hun ouders dat respect moeten verdienen, elke dag weer. En bij het minst of geringste is het ook weer weg.”

“En weet je, het hoeft misschien niet heel lang. Mijn vader was in Turkije gewend aan meisjes zonder hoofddoek. Maar hier is hij nieuw, moet hij wennen. Ik wil aan iedereen laten zien dat ik hem respecteer, en dat doe ik zo.”

Van Özlem, die op haar school hard moest werken voor een beetje respect, leerde ik die dag dat respect een cadeau is dat je kunt geven.

Wat me nu nog het meest bij blijft is de onvoorwaardelijkheid waarmee ze het gaf.

¹ Natka is één van de hoofdpersonen uit mijn theater.

Over vooroordelen

Vooroordelen koesterde hij.

Want dat scheelde enorm bij keuzestress.

En het scheelde een hoop uitleg. Niet dat hij niet van uitleggen hield, maar mensen kropen zo snel de verdediging in. En daar had dan wel weer een hekel aan.

Hij was uitgesproken ja. De zaken helder. Dat zat in zijn aard. Nuance, dat woord werd te vaak misbruikt door mensen de zaken liever troebel hielden, omdat troebel veilig was.

Hij had een hekel aan mensen die op veilig speelden. “Speel dan helemaal niet”, dacht hij dan.

Daarom die vooroordelen. Helder en klaar. Lekker snel ook.

Tot hij zich begon af te vragen: “Wanneer verliest het vooroordeel zijn nut? ”

Dat was een erg vervelende vraag, al was het maar omdat het antwoord genuanceerd dreigde te worden.

 

Ik heb een niche

Denk ik dan hè?

Gewoon doen is voor mij de enige manier waarop ik dat kan ontdekken.

Niet omdat ik zo’n mouwen-opstroop type ben. Ik kijk liever toe. Of geniet er van om iets intens te beleven.

Maar er valt niks te zien of te beleven als ik niks doe. Vandaar dat ik dan toch steeds weer dingen doe. Vaak halsoverkop, voor ik niet meer durf. (Net zoals ik blogs schrijf: op publish drukken voor mijn corrector kan kijken.)

Ik heb een niche, én een grens die ik overstap.

Ik ga willens en wetens dingen anders aanpakken.

De niche is mijn valkuil.

Daar durf ik tenminste helemaal in te geloven. Die heb ik altijd, ook als ik hem niet wil.

Die valkuil is de balans tussen mezelf geweldig vinden en mezelf niet goed genoeg vinden, tussen zekerheid en twijfel.

Nou nog een verdienmodel.

Welnu, ik ben helemaal klaar met coachen. Ik ga nooit meer mensen helpen. Ik ga voor niemand niets oplossen niet!

  • Wat ik wel te bieden heb is de ontdekkingen die ik doe over die balans. Over jezelf niet goed genoeg vinden, en manieren om dat kwijt te raken, ook als het steeds terug komt.

Genoeg mensen die het herkennen, dat gevoel niet goed genoeg te zijn. Voor die mensen heb ik mooie verhalen. 

  • Wat ik ook te bieden heb is die net-een-klein-beetje-verschoven-blik-op-de-wereld, waardoor ik de dingen-die-er-wel-zijn-ook-al-zie-je-ze-niet, wél kan zien.
  • Wat ik ook te bieden heb is woorden.

Dat is mijn andere valkuil. Overal iets moois van willen maken. Niet gladstrijken, wel mooi maken. Verpakken, zodat de lezer tenminste nog iets uit te pakken heeft.

Ik ga dus recht tegen de stroom in.

Geen adviezen waar je meteen iets mee kunt, alleen maar mooie woorden.

Dat is mijn niche.

Heel verfrissend in deze wereld waar iedereen klaar staat om het probleem waar je ’s nachts van wakker ligt, op te lossen.

Ik los niks op, ik geef je iets om over te dromen.

 

Ik ga verhalen schrijven.

Niet meer iedere dag bloggen, want verhalen, zelfs de halsoverkoppe, hebben meer tijd nodig.

Ik ga publiek opbouwen.

Ik ga verhalen bundelen en verkopen. (E-book?… misschien. Liever van papier.)

Ik heb al een verhaal dat ik in vele theaters ga vertellen. Minstens veertig keer optreden in 2014 is mijn missie.

Maar ik heb nog meer verhalen.

Dus ook op scholen, in bibliotheken, in kerken en bedrijven.

Ja, bedrijven. Waarom niet? Geen verkoop verhaal, geen story. Maar een echt verhaal, dat van alles los maakt, omdat het vanuit het hart, rechtstreeks naar de harten gaat. Om te vertellen op een bijeenkomst. Om te publiceren in het personeelsblad. Om in een boek te zetten samen met mooie beelden, voor op de koffietafel.

Het enige dat ik beloof is dat het verhaal prachtig is en dat het raakt. Wat het daarna verder doet laat ik helemaal los. Daar ga ik niet over.
En dan de grens die ik over ga . . .

Ik ga verkopen.

Ik ga zeggen dat ik goed ben.

Ik ga zeggen dat je het moet hebben, die bundel, dat boekje, gewoon omdat ze zo waardevol zijn, die verhalen. Dat ze een plekje moeten hebben, ergens in je kast. Om af en toe even in handen te hebben. Dat je ze wel gratis kunt lezen op mijn blog, maar dat dat niet hetzelfde is.

Als verkooptruuk¹ zorg ik dat er een nog nooit gepubliceerd verhaal in staat (lastig voor iemand die zo graag op publish drukt), en dat het boekje zelf prachtig wordt vormgegeven.

En ik ga redigeren. Wat zal mijn interne criticus blij zijn. Die mag aan het werk. Slijpen aan mijn verhalen, zodat ze beter worden. Krachtiger.

Ik ga mijn twijfel strak aanlijnen, als ik daar mee bezig ben, met dat verkopen. Ik heb wel een botje voor hem. Want als hij vraagt: “Kun je dat wel?” Zeg ik gewoon: “Het is mijn zwakke plek, die ik verkoop, weet je nog? Die plek die ik heb, ook heb als ik hem niet wil hebben?” laat hem daar maar even op kluiven.

 

 

 ¹ Kitty heeft gelijk. Commentaar geven op mezelf. Afzwakken. Het sluipt er in, ook al weet ik dat het niet nodig is. Het is geen truuk. Truuks heb ik ook niet nodig.

 

Eigentijdse rituelen

Kind met badwater weggegooid.

Dat schreef ik vorige week over het stilte moment in de week. De zondag.

Goed om te beseffen dat we de waarde van die zondag niet weg gooiden door de winkels te openen.

De waarde van die zondag was al vele eeuwen eerder overboord gegooid.

Toen de kerken van die zondag een dwangbuis maakten, in plaats van een meditatief moment.

 

Maar ik zou niet klagen vandaag.

Ik zou iets moois benoemen.

Want al gooien we mooie dingen weg, er ontstaan ook weer nieuwe.

Nieuwe rituelen, met onverwachte schoonheid.

 

Zo hebben we al jarenlang talentshows, die ongekend populair blijven.

Van die talentshows kun je vreselijke dingen zeggen.

Dat ze aanleiding geven tot leedvermaak. Samen lekker kijken hoe een sukkel met een bord voor zijn kop wordt afgemaakt. Een volksgericht van Romeinse proporties.

Ja.

Waar.

Shame on us.

 

Maar er is een andere kant.

De onwaarschijnlijke successen. 

Daar blijft niemand droog bij.

En we gunnen ze het van harte.

De jaloezie, die we vertalen in het leedvermaak waarmee we de losers uitjouwen, verdwijnt als sneeuw voor de zon, als we bij iemand echt talent ontdekken.

En misschien voelen we dat er een heel klein beetje op ons afstraalt. Als die onwaarschijnlijke kandidaat het in zich heeft, misschien ik ook wel.

Verguizen en bejubelen.

We doen het al eeuwen.

Onze mooiste en onze lelijkste kant ligt zo dicht bij elkaar.

Ik heb zo’n vermoeden dat we de onwaarschijnlijke talenten vaker delen dan de weggestuurden.

Het komt wel goed met ons.

 

 

En als je niet nieuwsgierig bent, lees je dit dan niet?

Er was een een man die niet nieuwsgierig was.

Dat wekte de nodige nieuwsgierigheid.

Vooral omdat de man bekend stond als creatief persoon.

“Hoe kan dat nou?”, vroeg men zich af? “Creatief zijn én niet nieuwsgierig zijn. Eén van de twee klopt niet.”

De nieuwsgierigste onder hen ging het vragen.

“Heb je als kind dan nooit eens de waarom-vraag gesteld?”, vroeg hij aan de man.

“Natuurlijk wel.” antwoordde de man: “En ik kreeg altijd een antwoord, zelfs als ik doorvroeg. En als mijn ouders het niet wisten, gingen ze op zoek naar iemand die het wel wist. ”

“Je wil toch niet zeggen dat je daardoor alles al weet?”, voeg de nieuwsgierigste.

“Nee, dat bestaat niet, alles weten.”

“Maar als je niet alles weet, waarom ben je dan niet nieuwsgierig naar wat je niet weet?”

“Omdat ik genoeg weet. Voor nu, En omdat ik er op vertrouw datgene dat wat ik moet weten, vanzelf te weten krijg. Zo is het altijd geweest.”

“Aha, daar heb ik je. Je wil dus alleen maar kennis die nuttig is. Daar is toch niks creatiefs aan?”

“Wacht eens even, jij was toch de nieuwsgierigste van het stel?”

“Ja , hoezo?”

“Nou, je probeerde me zojuist ergens op te vangen. Het lijkt er op dat jouw nieuwsgierigheid er alleen op gericht is om alles wat je niet snapt, weer passend te maken met wat je al weet.”

“Eh. . . Wacht. . .  Ik stel de vraag anders. Zijn er dingen die je niet weet, die je ook niet hóeft te weten, maar die je graag zou willen weten?”

“Kijk, dát is een mooie vraag.”

“Fijn, en wat is het antwoord?”

“Ja die dingen zijn er. En ik ben daar ook erg benieuwd naar. Maar dat noem ik niet nieuwsgierigheid. Een beetje flauw semantisch grapje misschien, maar ik maak het niet voor niks. Nieuwsgierigheid, is wat jou net even overkwam. Dat is je eigen wereldbeeld weer passend willen maken, als het ergens door op zijn kant gezet is. Nieuwsgretigheid is je eigen wereldbeeld juist bewust kantelen, het groter maken. Het wezen der dingen ontdekken, het wezen van de ander ontdekken. Kijken door ogen die niet van jezelf zijn.

Nieuwsgierigheid vernauwt (niet voor niets zit daar het woord gierig in, niet willen delen, alles willen houden). Nieuwsgierigheid wil bevredigd worden.

Nieuwsgretigheid verruimt. Nieuwsgretigheid wil gedeeld worden.”

 

Met dank aan Cor Noltee, die een heerlijke avond over nieuwsgretigheid verzorgde.

 

 

De mythe van de mythe

Oude samenlevingen, zo oud dat we ze amper beschavingen kunnen noemen, die samenlevingen deden aan mythes.

Omdat ze geen snars begrepen van alles om zich heen, maakten ze verhalen.

Om het toch maar een beetje te snappen.

Om niet zo bang te hoeven zijn voor bijvoorbeeld onweer.

Om niet helemaal het gevoel te hebben overgeleverd te zijn aan willekeur.

Omdat ze niet snapten hoe het echt zat, verzonnen ze maar wat, en hielden zichzelf voor de gek.

 

Of houden wij onszelf voor de gek met deze opvatting over die samenlevingen?

Wat nou als die verhalen helemaal niet bedoeld waren als eenvoudige verklaring van natuurverschijnselen.

Wat nou als zij wisten wat wij vergeten zijn?

Dat verhalen meerdere lagen hebben, die op een onbewust niveau doorwerken?

Dat het helemaal niet gaat om verklaringen?

Dat het helemaal niet gaat over de vraag of iets echt gebeurd is?

Dat verhalen nodig zijn om een andere waarheid te bereiken?

Dat verhalen nodig zijn om onze hersens even buiten spel te zetten?

 

Die hersens zijn reuze handig hoor, daarover geen misverstand.

En wetenschap is ook erg fijn. Zonder dat zat ik nu geen blog te tikken. (Nou ja, bij nader inzien . . . zonder wetenschap zat ik om een vuur een verhaal te vertellen, ook gezellig . . . maar dit wordt geen anti-wetenschap blog, nergens voor nodig.)

 

Die hersens, dat verstand, zit ons af en toe flink in de weg.

Ken je dat gevoel dat je verstand je met de ene stem zegt dat je geen reden hebt om je zorgen te maken, en dat een ander stemmetje zit te knagen? Ken je die gespletenheid?

Ondanks alle mooie theorieën over positieve gedachten, over de 3 G’s, RET, laten onze gedachten zich niet zo makkelijk besturen.

We willen bijvoorbeeld allemaal zo graag in ons zelf geloven.

Maar er is altijd dat duiveltje, de kabouter, de saboteur, de interne criticus . . . wat voor naam je hem ook geeft, hij ligt overal op de loer.

Dat stemmetje wordt gevoed door alle sociale systemen die heel graag alles zo laten zoals het is.

Sociale systemen die de werkelijkheid graag behapbaar willen houden.

Sociale systemen die ons in de waan laten dat de werkelijkheid te besturen is.

Sociale systemen die beloven dat dat lukt, als we maar geen gekke dingen doen.

 

Wie had het nu over samenlevingen die zichzelf iets wijs maken?

 

Misschien wisten die oude samenlevingen beter dan wij, dat het leven niet maakbaar is.

Dat de manier om met die onzekerheid om te gaan slechts heel gedeeltelijk gevonden kan worden met ons verstand.

Dat we vanuit on hart vrede moeten sluiten met de onzekerheid, omdat we de onzekerheid niet kunnen uitbannen.

Dat er verhalen nodig zijn om ons hart te bereiken.

Omdat het verstand zich er even niet mee bemoeit, als we naar een verhaal luisteren.

 

Misschien waren ze zo gek nog niet die oude samenlevingen.

 

 

Als het geld op raakt, word ik een hoer

Moet ik dat nog uitleggen?

Moet ik nog zeggen dat ik koortsachtig ga zoeken, wat ik moet doen om te zorgen dat er geld binnenkomt?

Dat ik daarbij uit het oog verlies wat ik goed kan, wat bij me past?

Dat ik alleen nog bezig ben, met de vraag waar mensen geld voor zou willen uitgeven?

Is dat dan niet gewoon marketing?

Goede vraag.

Ik weet het niet.

Ik voel ergens een grens, dat wil zeggen ik voel dat ik een grens over ga.

Van klantgericht naar hoererij.

Waar ligt die grens?

(slimme mensen die steeds over marketing schrijven, doe daar eens een blog over)

Wat in ieder geval niet klopt is de onrust die het bij me veroorzaakt, en de neiging om van alles en nog wat uit te proberen.

De neiging om alles en iedereen als klant te zien.

Ik wil mensen niet als klant zien. Tenminste niet op deze manier.

Hoe dan wel?

Daar ga ik niet achter komen in deze onrust.

Even niets doen, dus.

Behalve dan mijn geplande afspraak om te zien hoe ik meer theaters vol krijg.

Want daar heb ik rust. Daar weet ik wat ik in handen heb. Daar wil ik best klanten bij zoeken.

Maar dat is financieel niet voldoende.

Vandaar die onrust.

Dus.

Die onrust die ook invloed heeft op mijn bloggen.

Mijn broer zei het al: “je schrijft wat meer voor de bühne, de laatste tijd, dat vind ik minder interessant.”

Tja.

Die bühne heb ik nodig om geld te verdienen, toch?

Ik vond de achtbaan van het in elkaar zetten van mijn theater leuker dan dit schommelschip. 

Bah.

En dat je dan ook nog denkt: “een tijd geleden schreef je ook al zoiets, wordt het niet eens tijd dat …”

Nog een bah.

 

NASCHRIFT

Net terug van een erg inspirerend gesprek met Marloes Kuipers van MK Events & Productions

En de focus is weer waar hij moet zijn: theater.

Doel 2014 minstens 40 voorstellingen

en daarnaast op scholen spelen, met hetzelfde stuk, en met het stuk in iets aangepaste vorm.

En daarna pas  voor bedrijven. Voorstelling en verhalen op maat.