Hallo lente, oude vriend

Ik had al een lammetje gezien,
krokussen en narcissen.

Zon had ik gezien,
gouden stralen stralend
over gras zo groen.

Ik had ook gezien
dat de schaduw opgeschoven was
en dat de zon een dak verder was gesprongen.

Maar dat alles maakte geen lente.

Wat lente maakte was een vuil plasje regen.
Alsof ik de aarde tegen me zei:
“Hier ben ik!”

En diep van binnen weerklonk:
“Ah, daar ben je oude vriend.”

 

Dat bedoel ik!

Dat bedoel ik!

riep ik, midden in een gesprek met een vriendin.

En dat was opmerkelijk, want ze zei iets dat tegenovergesteld was, van dat wat ik net gezegd had.

Ergens anders in datzelfde gesprek leerde ik van haar iets wat ik al wist. Gelukkig riep ik toen niet, “Ja ,dat weet ik!” Gelukkig besefte ik toen direct dat wat ik er over leerde een hele nieuwe dimensie betekende van iets dat ik al veel vaker was tegen gekomen.

Wat ze me leerde was dat het denken zo snel kan zijn dat je dingen kan zeggen zoals:

“Dat bedoel ik!”
of
“Dat weet ik!”

terwijl je zelf nog niet bent aangekomen op die plek.

Wat ik al wist was dat iets snappen niet hetzelfde is als iets voelen.

Wat ik níet wist, was hoe dat denken jou voor de gek kan houden. Wat ik niet wist, was hoe dat denken jou ook het gevoel kan geven dat je het helemaal doorgrond.

Dat ligt ten grondslag aan mijn uitspraken “Dat bedoel ik” en “Dat weet ik”.

Vroeger zei ik dat soort dingen om de haverklap. En nu begrijp ik waar ze vandaan komen. Ze komen voort uit hersens die iets horen dat ze onmiddellijk kunnen plaatsen. Hersens die een opmerking meteen van alle kanten bekijken, en zien dat die opmerking als een puzzelstuk past in alles waar ze al eens mee gestoeid hebben.

En een ego dat daarop meteen beslist dat die opmerking er altijd al geweest moet zijn.

En zo berooft het ego je van die hele nieuwe dimensie die voor je open gelegd wordt.

Want als je het toch al wist, dan heb je niks nieuws te leren, of te ontdekken.

Ik dacht dat ik dit allemaal al wist, dat ik me er niet meer schuldig aan maakte.

Tot het moment dat ik gisteren heel hard: “Dat bedoel ik!” riep.

Jaloers

Ik ben jaloers als ik berichten lees van mensen die leuke dingen doen. Vakanties, etentjes, theaters, sauna’s.

Ja echt, laat ik daar maar gewoon voor uitkomen.

Want ik heb er het geld niet voor.

Maar zou ik willen ruilen?

Mooi niet!

Ik maak zulke fantastische dingen mee. Ik groei drie keer de rondte de diepte in, en ik voel de hoogste hoogten in de simpelste dingen.

Het is niet te beschrijven hoe mooi ik alles vind, en wat ik er bij voel. Ik ben zo blij met mijn hoofd mijn hart en mijn ziel.

Ik ben zo blij met mooie mensen om me heen.

Ik ben erg gelukkig met mijn leven zoals ik dat heb.

En ik gun die anderen al die mooie dingen zeer. Ik kan naast dat jaloers zijn zelfs meegenieten.

 

over proactief zijn en andere flauwekul

Het was denk de eerste training die ik ooit kreeg.

Mensen zijn erg beïnvloedbaar bij hun eerste trainingen, ik vraag me af of trainers daar wel voorzichtig genoeg mee zijn

Ik was dus erg beïnvloedbaar, en ik heb me van alles laten aanleunen. Over wat goed was en wat niet.

Reactief was niet goed bijvoorbeeld. Proactief. Dat moest je zijn!

Dit was in de tijd van “Niet morgen maar nu!”, later werd dat “Dromen, durven doen”. Veel is er niet veranderd.

Ik heb dus een proactief jasje aangetrokken. Verantwoordelijk voor mijn eigen geluk, the road least taken, uit de box, uit de comfortzone . . . alle tegeltjes heb ik braaf geslikt.

En nu pas mag ik van mezelf weer lekker reactief zijn, en ik vind het heerlijk.

Dat pro-actief scheppend bezig zijn was één van mijn grote worstelingen toen ik mijn theater maakte. In mijn eentje, in mijn hoofd bedenken wat ik allemaal ga doen op dat podium. Gekmakend, vond ik het.

Hoe anders is het op de Vallei. Daar is het vooral een kwestie van reageren op wat zich aandient. Daar is het een kwestie van beschikbaar zijn, met heel mijn wezen. Daar is Zijn belangrijker dan Doen. (Nee! geen tegeltje van maken. Lees hem alleen in deze context, alsjeblieft.)

Nu krijg ik heel erg de neiging om een alinea te beginnen met “Natuurlijk…” waarin ik uitleg dat ik daar ook lessen voorbereid. Maar die alinea zou een verontschuldiging betekenen.  Een ontkrachting van wat ik daarvoor vertelde over het belang van beschikbaar zijn.

Laat ik dat nou eens niet doen.

Laat ik het lef hebben om het daar bij te laten: het gaat meer om wie ik ben, dan om wat ik doe.

Want die voorbereiding is mijn leven. Alles wat ik meemaak, alles wat ik hoor en lees, alles wat ik binnen laat komen en daar zijn werk laat doen. Dat ben ik.

Ik durf nu eindelijk te vertrouwen dat dat genoeg is.

Want precies dat vertrouwen maakt dat ik een vijver ben. Waarin de ander zich kan spiegelen, én in kan duiken.

Dat is mijn rol op de vallei. Niet die van de bedenker van leuke lessen. Dat laatste hoort bij de rol die ik ooit ten onrechte aangetrokken heb, die proactieve rol. Ik kan die rol rustig afleggen, want als ik niet hoef, bedenk ik toch wel weer wat leuke lessen hier en daar.

En dan de verhalen.

Nog steeds wil ik graag verhalen vertellen. Maar heel misschien betekent deze ontdekking dat ik de verhalen niet moet bedenken, maar dat ik de verhalen moet zijn.

 

 

 

En ik was mijn blog

Reflecteren, dat is zo’n beetje mijn natuurlijke staat.

Daarom vind ik bloggen ook zo leuk.

Niets doen, mijmeren, indrukken voorbij laten komen, omdraaien en nog eens voorbij laten komen, andere belichting kiezen en nog eens voorbij laten komen.

Daar heb ik tijd voor nodig, daarom noem ik mij een introvert, dan snapt de buitenwereld dat ook. Een beetje.

En het dan zo druk hebben, dat er helemaal geen tijd is voor mijmeren. Nou ja, die tijd is er wel, maar dan ben ik zo moe en vol dat alle beelden door elkaar lopen.

Vreemde gewaarwording.

Nog vreemder is dat ik kennelijk prima functioneer. Dat ik ook kan handelen zonder dat ik weet waarom ik zo handel. Dat ik kan improviseren. Dat mijn hoofd daar helemaal niet bij nodig is. (Ja dit is een uitleg van mijn blog van eergisteren)

Het werkt, maar ik weet niet hoe het werkt. Maar nu heb ik vakantie. En dus veel tijd om daar eens lekker over te mijmeren.

Het heeft te maken met overgeven en vertrouwen, dat weet ik intussen wel. Daar komt nog een blog over.

wees je blog

Heel mijn wezen leert, ervaart voelt en weet.

Dat er geen woorden zijn schijnt mijn wezen niet te deren.

Ik sla het wel op, ergens in het lijf.

Weten kan kennelijk ook zonder het te weten.

Het hoofd heeft daar als archivaris wel wat moeite mee.

“En je blog dan?”, roept het vertwijfeld.

Laat je lijf maar schrijven, fluistert het wezen. Morgen ben jij gewoon je blog, in alles wat je doet, oké?

 

 

Ik kan niet begrijpen wat sommige mensen bezielt

Maar dat is niet waar.

De vreselijke werkelijkheid is dat ik me dat wel kan voorstellen. Levendig zelfs. Zo levendig dat ik dat uit heb gezet, omdat ik daar niet wil gaan.

Maar ik kan het wel, besefte ik laatst opeens.

Ik kan in de huid kruipen van mensen die de meest vreselijke dingen zeggen en doen. Ik kan me voorstellen vanuit welk wereldbeeld, vanuit welke woede, vanuit welke angst mensen tot vreselijkheden in staat zijn.

Ik kan me zelfs voorstellen dat ik een IS strijder ben, en alleen nog maar mijn eigen waarheid kan zien.

En dat is vreselijk.

Niet alleen omdat ik het niet wil begrijpen.

Niet alleen omdat ik helemaal niet wil weten waar ik zelf toe in staat ben.

Maar ook omdat ik daardoor weet hoe ver afgesloten van de wereld dat is, gevangen zijn in een ‘heilig’ gelijk.

Als een enge droom zou ik het af willen schudden.

Maar hoe krijg je het de wereld uit?

kies je verhaal zorgvuldig

Die praktische onzekerheid van mij (zie vorige post) heeft te maken met het feit dat ik geen enkele groot verhaal geloof.

Dat is een afwijking van mij.

Bij elk verhaal dat mij aanspreekt zie ik direct het tegenoverliggende verhaal. Ik zie ze samen, als twee zonnen die aan de horizon staan. (Ja dat bestaat wel!)

Elk verhaal is waar.

Geen enkele verhaal is helemaal waar.

De kunst is om een verhaal te kiezen, en net zo lang vast te houden dat je er verder mee komt, maar niet zo lang dat het je dwars gaat zitten. Een verhaal kan met je meegroeien, maar soms heb je gewoon een ander verhaal nodig.

Zo’n verhaal kiezen is een kwestie van vertrouwen.

Dat begin ik nu te leren. Kiezen en vertrouwen.

 

Vertrouwen

Vanaf het moment dat ik daar bewust over na ging denken (mijn puberteit, vermoed ik) weet ik dat ik een oervertrouwen heb. In het leven zelf.

Ik wist al dat ik hem had, voordat ik hem een keer dwars door me heen voelde gaan. (die ervaring beschrijf ik hier)

En gek genoeg helpt dat oververtrouwen me in de praktijk niet veel verder.

Dat komt omdat er verschillende lagen vertrouwen zijn. Tenminste, bij mij dan.

Dat oervertrouwen, dat is de basis. Ik weet dat als ik heel diep val, dat vangnet van het oervertrouwen er is om me op te vangen. Altijd. Stevig in plaats.

Maar dan is er nog steeds ruimte om te vallen.

Vooral op zakelijk gebied heeft me dat veel dwars gezeten. Het gebrek aan praktisch vertrouwen. Het vertrouwen dat ik een klus kan klaren. Het vertrouwen dat ik fouten mag maken. Dat soort dingen.

Heel langzaam begint ook dat vertrouwen te groeien. En niet eens doordat ik zelf zo’n enorme groeisprong maak, maar gewoon omdat het van buitenaf gevoed wordt.

Op de basisschool de Vallei ben ik vooral mezelf. Ik doe niet wat ik denk dat moet, maar wat ik denk dat ik kan. Niet meer niet minder. En ik krijg te horen dat het gewaardeerd wordt. Dat ik waardevol ben.

Dat soort dingen zijn soms gewoon nodig. Het is soms nodig dat anderen het vertrouwen in jou uitspreken, zodat je zelfvertrouwen kan blijven groeien.

Dat praktische vertrouwen heb ik nodig om mijn oervertrouwen in te kunnen zetten, want dat heeft ruimte genoeg voor anderen.  Het is de kracht die er voor zorgt dat ik anderen kan accepteren zoals ze zijn.

Het was de “wie ben ik nu helemaal om te pretenderen dat ik wat te bieden heb” onzekerheid, die me te vaak deed inhouden. Daarom is het mooi dat ik me laat voeden met het vertrouwen van anderen.

 

Ik schreef daar ooit al dit verhaal over:

De Schepper boetseerde de dieren van klei, en blies ze leven in, wees ze hun plek in de wereld en zei:

“Probeer het uit. Kom terug als je iets nodig hebt. Ik zal één keer luisteren naar al je wensen, en je toerusten voor de uitdagingen waar jullie voor staan.”

Toen de kameel terug kwam, wist hij precies wat hij wilde: Lange wimpers zodat het stof van de woestijn niet in zijn ogen zou waaien. Lange benen omdat hij grote afstanden moest afleggen. Brede hoeven zodat hij niet in het zand zou wegzakken. En nooit meer dorst, want in de woestijn was weinig water.

“Weet je het zeker?” vroeg de Schepper nog. De kameel wist het zeker, en zo geschiedde. Toen alle dieren geweest waren stond daar opnieuw de kameel.

“Hoe gaat het?”, vroeg de Schepper

“Nou”, zei de kameel: “de wimpers zijn fantastisch, en ook met mijn benen en hoeven ben ik heel blij” De Schepper wachtte. Hij wist wat er zou komen.

“Ik mis de dorst zo”, zei de kameel: ”Ik mis het moment dat ik met vreselijke dorst bij een oase kom, en dan kan drinken. Dan smaakt het water zo heerlijk. Nu drink ik af en toe nog wel eens, maar het water smaakt me niet.”
de Schepper begreep het.

“Twee bulten geef ik je, daarmee kun je voedsel en water opslaan voor de lange tochten door de woestijn.
Maar altijd zul je terug willen keren naar een oase. En je zult ervaren hoe heerlijk het is om je dorst te laven.”