nou nog een kleintje dan

voldaan gevoel

Ik heb de zes scenes die we vandaag al spelend en vertellend ‘ontdekt’ hebben uitgewerkt.

Ja, je leest het goed. ik ga niet improviseren. Niet nu.
Eerst iets bouwen dat stevig staat. Een fundament. Met kop midden en eind.

Zodat ik niet ga zweven.
Dat inspelen.

En daarna pas loslaten wat er los te laten valt.

Hoe dat er uit gaat zien weet ik  nog niet.

Ik krijg wel steeds meer beeld bij het theater. Het wordt mooi.

Die scenes, daar wordt ook nog in geschrapt, maar de kern van elke scene staat op papier.

Dat wordt deze week denk ik het stramien. Scenes ontdekken, en dan uitschrijven.

Een plezierige zoektocht.

nu écht werken, en hard ook (theater maken)

Bedenk even zelf een paar krachttermen. In de trant van “jeetje, wat me nu is overkomen!” 

 

.       .         .

 

Ja, heb je ze?

Nou dat dus.

Poehee, wat een ervaring.

Wat wordt het veel mooier dan ik me voor had kunnen stellen, dat theater.

Zo moet het voelen als je als schrijver commentaar krijgt van een redacteur.

Die je op verbanden wijst die je zelf nog niet had gezien. Die ziet wat er niet klopt, en wat er wel klopt aan dat wat niet klopt.

En heel veel werk dus. Want wat ik overdag allemaal ontdek en opnieuw vorm geef, alle inzichten en vondsten die er nog bij komen . . . .

dat moet ik dus ’s avonds allemaal gaan opschrijven.

Dus of ik nog tijd over houd om te bloggen, is nog maar zeer de vraag.

Maby si, maybe no.

In dat laatste geval is het gewoon even geduld hebben voor jullie, want het wordt me toch mooi.

Mooier dan ik gedroomd had, en ik kán me toch een partij goed dromen.

anders lezen

Ik ben anders gaan lezen.

Even terugspoelen.

Als kind werd ik voorgelezen en las ik zelf, ook veel stripboeken trouwens.

Op de middelbare school is de liefde voor lezen met de verplichte literatuur flink verknald. 

Ik werd gegrepen door de boeken van Koolhaas. Niet zijn dierenverhalen maar zijn boeken over mensen. Een soort magisch realisme, want er zaten altijd wel bizarre componenten in. Maar die dienden om de emoties van de hoofdpersonen op scherp te zetten.

Ik wilde daar alles over vertellen op mijn mondeling examen, maar ik kreeg alleen vragen over wat er in het uittrekselboek stond. 

Ik ben na mijn middelbare schooltijd Engelse detectives gaan lezen. Van Agatha Christie, John Le Carré tot Robert Ludlum (ja die van de Bourne Identity, en nee dat staat niet op hetzelfde niveau als Carré)

En langzamerhand weer van alles wat ik tegen kwam. Ik bleef trouw aan mijn kinderboekenhelden Tonke Dragt en Paul Biegel, ik heb in mijn studententijd zelfs met veel plezier Otje gelezen van Annie M.g. Schmidt.

Er kwamen nieuwe helden bij: Orson Scott Card, Stephen King, Terry Pratchett.

Maar ik besef dat ik al die tijd een boek beschouwde als een film waar ik in mee genomen werd.

Tot nu.

Ik weet niet hoe het er in geslopen is, maar nu lees ik anders.

Ik lees om de leeservaring zelf.

Boeken die me niet direct konden mee voeren legde ik vroeger weg. Nu laat ik me niet mee voeren door het verhaal, maar ..

Eh ja, wat? Hoe leg ik dat uit?

Neem nou Boneland. Dat is amper een verhaal. Er spelen twee verhalen door elkaar, waarvan één verhaal bestaat uit flarden mytische teksten (het gaat dan ook over een prehistorische sjamaan). Ik lees, zonder een afgerond verhaal te willen, maar laat me gewillig door de schrijver mee voeren, van ervaring naar ervaring. 

En ik duik de klassieken in.

Want die zijn niet voor niets klassiek.

Moby Dick, Middlemarch, het complete werk van Elsschot.

Bijzonder. Geen van allen spannende, meeslepende boeken. Wel allemaal meeslepend om hele andere redenen.

Ik lees nu een biografie van Anton Bergman, een Vlaamse schrijver uit de 19e eeuw. Nooit van gehoord. Maar geweldig interessant om te lezen over die tijd. Ik lees boeken over geschiedenis, en over kunst.

En nu heb ik Proust en Thomas Mann klaar liggen. Die wil ik proberen in het Frans en Duits te lezen, met de Nederlandse vertaling er naast. Dat zal heel langzaam gaan. Maar dat geeft niet. Ik ben gestopt met verhalen te lezen waarvan je zo graag wil weten hoe het af loopt.

Dat gezegde, dat de reis belangrijker is dan het doel, ondervind ik nu eigenlijk pas in boeken.

Het is je durven mee laten nemen door de schrijver, op plaatsen waar je nog nooit eerder was, die ook niet lijken op plaatsen waar je eerder was.

oh, ik blijf die andere boeken heus wel lezen hoor.

Maar het lezen van, laat ik het maar even gewoon ‘moeilijke boeken’ noemen is voor mij een geheel nieuwe ervaring. Vreemd dat ik daar pas zo laat achter kom.

Dit is trouwens geen poging om intellectueel te worden, wel een poging om meer te genieten van de kunst in boeken. 

kan een computer een boek schrijven? vraag 23 van #50books

Voor een goed boek is de lezer minstens zo belangrijk als de schrijver.

De lezer maakt beelden en belevenis bij wat de schrijver aandraagt.

Ik kan me dus voorstellen dat een computer ooit met flink wat jatwerk iets in elkaar zet, dat toch een reactie oproept bij een lezer.

In dat geval doet de lezer wel ál het werk, en krijgt dus ook alle eer.

Een andere mogelijkheid die ik liever niet wil overwegen is . . 

nee, die ga ik niet overwegen.

dit is antwoord op een vraag van @petepels #50books

waarom het zetten van elke stap steeds opnieuw spannend is

Iets weten en iets meemaken zijn twee verschillende dingen.

Iets meemaken en iets nóg een keer meemaken ook.

Ik zat al weken aan te hangen tegen een moeilijke beslissing. Bijna alles raakte er door verstopt.

Het dilemma. Welke zaal en welke datum prik ik voor een try out?

Kiezen..

oh kiezen is zo moeilijk.

Even een uitstapje.

Toen ik nog student was, had mijn grote broer al een zoontje. Mijn moeder was als oma dol op haar kleinzoon/mijn neefje.

Ik vond het ook geweldig, zo’n klein mooi mens. Ik was thuis bij mijn ouders en zag hoe oma haar kleinzoon verwende (oma’s mogen dat, deze oma was ook oppas oma, maar in haar eigen huis mocht ze verwennen). Dus was de koekjestrommel weer rijk gevuld.

De trommel ging open,en mijn neefje mocht kiezen. Koekjes, chocolaatjes, snoepjes.. alles zat er in.

Daarom kon mijn neefje niet kiezen. Ik zág het aan zijn gezicht. Hij zag alle koekjes en snoepjes die hij níet zou hebben als hij zou kiezen.

“Je mag er twee”, zei oma. Dat hielp natuurlijk niet. Nog steeds was de hoeveelheid afvallers enorm.

Dat speelde mij parten met mijn keuze. Elke keuze vóór iets betekent dat andere mogelijkheden afvallen.

Dus duwde ik alles vooruit, alle opties met me mee slepend, als een blok aan mijn been.

Vandaag (woensdag, ik schrijf mijn blogpost altijd voor de volgende dag) hakte ik de knoop door.  Niet met ééntje beginnen, en dan wachten op meer publiek voor een volgende zaal.

Gewoon overal in het land naar zalen zoeken. Gebaseerd op woonplaatsen van de mensen die zich al hadden ingeschreven.

En dan ook écht gaan reserveren. Investeren.

En die beslissing doet me goed.

Het maakt ruimte.

Nu heb ik weer energie.

Dat wist ik al, natuurlijk. Dat dat zo werkt. Ik had het al een keer meegemaakt zelfs. Meerdere stappen had ik zo al gezet. En elke stap is een bevrijding.

Vreemd genoeg kost ook elke stap opnieuw tijd en gaat er een periode van frustratie aan vooraf. Dat van te voren weten is geen wapen tegen die frustratie, en de moeite.

En eigenlijk is dat maar goed ook. Want het zetten van die stap zou er een stuk minder spectaculair van worden.

 

P.S

En toen zat Waanzinnige plannen in de brievenbus. Daar sta ik in, dat was mijn allereerste stap. Hardop zeggen dat er dit jaar een try out zou komen. Ik had dat op mijn eigen site al gedaan, maar dit was weer een stap verder. Bedankt Marcel.

 

P.P.S.

Ik ga deze en volgende week een aantal datums vastleggen.

De inschrijvers hebben al bericht gehad. Zodra het concreter wordt, zal ik het hier melden.

gedachten over gedachten over gedachten

Andere bloggers zullen dat herkennen.

Dat je boven jezelf in de lucht hangt, en mee leest terwijl je schrijft.

En misschien zelfs dat dáárboven weer een andere versie van jezelf hangt, die gedachten heeft over degene die daarboven hangt.

En nu is er een derde die zich af vraagt wat die twee er van vinden dat ze hier zo open en bloot worden voorgesteld op dit blog.

Als ik lekker bezig ben, ga ik in no time meerdere lagen diep. Ergens stuit ik op een laag die de eerste laag weer in de staart bijt.

Soms heb ik lol met dat spelletje, dan stijg ik tot grote hoogten, en zitten er geweldige vondsten in, die ik jammer genoeg ook zo weer kwijt ben.

Andere keren werk ik mezelf er flink mee de grond in.

Het is er altijd. Het is iets dat ik niet uit kan zetten. Terry Pratchett schrijft in “The wee free men” over second-thoughts en third en fourth thoughts. Wat een feest van herkenning. (Aanrader!, de hele Tiffany serie, het zijn er vier)

 Ik kan me dus uitstekend met mezelf vermaken (of me zelf vreselijk goed in de weg zitten).

En ik kan dus ook een beetje afwezig over komen. Eh.. dat is niet overkomen, dat is dus gewoon afwezig zijn, bedenk ik nu. Ik schreef daar hier ook al over, en hier.

“Okee, waar wil je nu naar toe?” vraagt de tweede gedachte.

“Is het handig om de vraag van de tweede gedachte er in te zetten?”, vraagt de derde gedachte.

“Je blijft hangen bij de vraag van de tweede gedachte, merk ik” zegt de vierde gedachte.

“Dit is een beetje je handelskenmerk aan het worden. Wil je dat?” vraagt de vijfde gedachte?

“Weet je zeker dat hier een hiërarchie in zit? Zijn dit niet gewoon gedachten ná elkaar in plaats van over elkaar? ” zegt de zesde gedachte.

“Misschien ben ik wel niet de zesde gedachte, maar gewoon weer de tweede gedachte”,  zegt de zesde gedachte.

“Hé je blijft me stugweg de zesde gedachte noemen!”, zegt de tweede gedachte.

De zevende gedachte zegt: “Als jij aan geeft dat de vorige zin gezegd wordt door de tweede gedachte, dan geef je daarmee de zesde gedachte gelijk,  dat hij eigenlijk de tweede gedachte is. En dus geef je de tweede gedachte gelijk, want de zesde bestaat niet. “

De achtste gedachte zegt: “Dit snapt geen hond meer, zou je niet stoppen?”

De negende gedachte zegt: “Jij bent niet de achtste, want de zesde bestaat niet, dus ben je de zevende. O, verrek dan ben ik zelf ook niet de negende gedachte. . . . Hah! Ik was je voor. Jij wilde een tiende  gedachte (die geen tiende gedachte is) in stelling brengen om te zeggen dat ik dan ook geen negende gedachte ben, en nu heb ik het zelf al  gezegd. Ik ben in ieder geval de snelste gedachte.”

Ik ben de tel kwijt, maar ergens is er iemand die zegt dat het zo wel genoeg is geweest, en die heeft gelijk.

Kon je het niet volgen?

Ik kan het altijd perfect volgen.

Tot het stopt.

Dan raak ik met terugwerkende kracht het overzicht geheel kwijt. 

Ik stop met schrijven. (Ik heb nog niet eens alles geschreven wat er in me op kwam)  

Misschien ben jij al eerder gestopt met lezen.

(Nee joh, anders zouden ze dit niet lezen.)

Maar mijn hoofd stopt bijna nooit. Dit soort cirkels draaien meerdere malen per dag door mijn hoofd.

Vroeger had ik daar dan nog weer oordelen over. Dat ik te veel in mijn hoofd zat. Dat ik mijn hoofd moest leeg maken. Niet denken. Nee niet niet denken … wel denken maar dan ook weer laten gaan. Aarden. Nee niet denken aan aarden, maar gewoon doen. Nee niet gewoon, doen. 

Tegenwoordig heb ik er gewoon lol mee, behalve die enkele keer dat het op hol slaat.

 

als de verpakking boodschap wordt

New age.

Bestaat dat nog?

Volgens mij is het inmiddels mainstream, dat new age.

Steeds vaker zie ik oude new age termen voorbij vliegen in nieuwe oude kruiken.

Dat klinkt kritisch, cynisch bijna. Maar dit wordt geen cynisch stukje. Want er zit veel moois in dat new age gedoe. Veel waarheid.

Het probleem is de verpakking.

Heel vaak is de verpakking het probleem.

Want er zijn vele mooie waarheden.

Die mooie waarheden willen doorgegeven worden, en daar heb je die kruiken voor nodig. Stel je voor dat het water uit de bron van handpalm tot handpalm werd doorgegeven. Mooi puur, maar kruiken zijn handiger.

En toch zijn die kruiken het probleem. Want die kruiken gaan een eigen leven leiden. Kruiken krijgen etiketten. Met mooie woorden, en meestal zonder houdbaarheidsdatum of E-nummers.

Systemen, theorieën, modellen, grote verhalen.

Prachtig, allemaal. Ze zijn dragers van grote waarheden. Maar ze zijn niet de waarheden zelf.

De échte waarheid is een ervaring, die pas ontstaat als jij je lippen aan de rand van de kruik zet en proeft. Die waarheid ontstaat doordat de inhoud van de kruik zich mengt met je eigen inhoud. De waarheid ontstaat steeds opnieuw, en is steeds anders.

Systeem, lijstjespost, theorie, model, groot verhaal, boodschap . . . de taal zelf.

Als ze hun werk goed doen, zijn het dragers van een waarheid die een grotere waarheid in jou wakker kust. Als ze hun werk goed doen zijn ze dienstbaar, en niet leidend.

Leidend ben jij zelf.

Altijd.

Los zand als rode draad

Dat was mijn eigen ontdekking,

gisteren.

Dat los zand oké is.

Los zand als rode draad.

Want hoeveel water mijn kinderen ook in de zandbak wilden, er moest altijd los zand overblijven. Liefst van dat hele dunne.

Zuurs zand, noemden mijn kinderen dat. Het stroomt zo lekker tussen je vingers door. Als poedersuiker op de zandbollen, of als sneeuw op de zandkastelen. Of gewoon omdat het zo zacht is, en zo warm in de zon, of juist zo koel in de schaduw.

Los zand als bouwsteen, wilde ik zeggen. Maar juist dat, is het niet. Dat impliceert dat er iets te bouwen valt. En ik ben geen bouwer.

Los zand als verbindend element.

Klinkt als contradictio in terminis.

En dat klopt. Want zodra ik mijn kern probeer te vangen, waait hij weg. Omdat ik twee termen wil verbinden die elkaar bijten: het bevatten van het ongrijpbare, het vastleggen van de vrijheid, het catalogiseren van de stroom, het benoemen van het onnoembare.

En eindelijk, eindelijk krijg ik daar heel langzamerhand vrede mee. Je zult me nog wel eens zien stuiteren, maar toch, die vrede komt er aan.

Die vrede vraagt mij iets onder ogen te zien.

Die vrede geeft een diepere betekenis aan wat mijn blogvrienden mij al vertelden: 

De rode draad ben jijzelf, Jacob Jan!

Niet het bouwwerk dat ik neer wil zetten, maar het organisme dat ik ben. Niet die ene volzin, maar steeds opnieuw mijn zinnen zetten.

Er op vertrouwen dat ik de moeite waard ben.

Weet je wel hoe diep dat zit?

Zo diep besluit ik nu te gaan.

En dan eerst maar eens in gesprek met die stem die vanuit die diepte ‘egotripper!’ schreeuwt.

 

 

 

 

 

 

laat je mee voeren

Neem mijn hand.

Want we gaan verdwalen, daar kun je zeker van zijn.

We nemen de zijpaadjes, en als ik democratisch was mocht jij ook een keer kiezen.

Maar nu niet.

Afhaken mag je, natuurlijk, dat mag. Best kans dat het niks is, voor jou.

Anders gewoon volgen.

Waarheen is mij nog niet bekend. Ik wil je iets laten zien van het grote alles dat ik vandaag voelde. Net was het nog hier, maar het is verdwenen toen ik op jou wachtte.

Geeft niet, het grote alles laat zich niet kennen. Alleen voelen kun je het, in het voorbijgaan.

Daarom gaan we, zo maar, op goed geluk, lopen.

Hier linksaf, we gaan eerst even het bos uit,

en verrassing . . .

. . . we staan plotseling op een strand.

Nee, geen zee. Zo’n prachtig bosmeer, met een zandstrand.

Dat witte, zachte zand.

Doe je schoenen uit. Voel het losse zand tussen je tenen.

Als er ooit weer iemand moppert dat iets van los zand aan elkaar hangt, dan herinner je dit moment. Het is niet echt gebeurd, en toch herinner je het. En je weet dat er niks te mopperen is, dat los zand prima is, omdat je je tenen nog voelt wiebelen.

Het water doen we later,

misschien,

nu gaan we terug het bos in.

Bos.

Dus doe weer even je schoenen aan. Dennenappels zijn scherp, als je er met blote voeten op stapt.

Van de felle zon gaan we de schaduw in. Doe net als ik je ogen dicht.

We ruiken zoete hars.

Zo blijven we even staan. Misschien horen we vogels. In ieder geval voelen we de koelte.

We doen onze ogen open en zien dat de zon een schitterend spel speelt met de bladeren. Donkergroen, lichtgroen, doorschijnend groen, en snippers blauwe lucht.

Dit is het bos uit onze kinderboeken. Dit is het bos uit onze jeugd. Kijk maar, de bomen zijn groter.

Woud.

We wandelen over de kleine, kromme paadjes, ver van het grote pad. Bij elke stap wordt het gevoel sterker. Ruik de hars.

Voel dat de lucht zwanger is van mogelijkheden. Voel dat je met je gedachten iets kunt scheppen. Alles kunt scheppen. Wat jij maar wilt. Als je het maar wilt.

Als je dat hier in het woud kunt voelen, kun je het overal voelen.

En natuurlijk is er de open plek. Hier houdt het woud zijn adem in.

We gaan zitten in de schaduwrand, en wachten.

Als het avond wordt en stil,

als de maan de open plek verlicht,

dan lopen we naar het midden.

We kijken rond, en omhoog.

Aanwezig aan de wereld, zijn we. Van aangezicht tot aangezicht.

Doe net als ik je armen wijd, en dan naar boven en . . .

en voel . . .

dat hier alle troost is die je ooit nodig had.

Voel hoe welkom je bent. Voel hoe alles zachtjes, zonder woorden, fluistert over je huid.

Dat wat je niet kon horen komt nu binnen.

Je bent aanwezig

hier, op deze plek,

hier

nu.

Nu

voel nu

weer hoe je zit.

Dit zijn weer woorden.

Als je zonet een reis gemaakt hebt

is het precies dat:

jij, schepper,

hebt iets gemaakt,

een reis.

 

Calvinist ontmoet levensgenieter

Mijn calvinist en mijn levensgenieter gingen vandaag hand in hand.

Mijn calvinist had gezegd: “Beste Jacob Jan. Leuk hoor, dat theater, maar je bent nu al 4 maanden een luxe leventje aan het leiden.  Wordt het niet eens tijd dat je je nuttig maakt?”

Mijn levensgenieter zei: “Lieve Jacob Jan. Je gaat soms teveel je hoofd in. Je durft niet eens te genieten van dat luxe leventje. Vraag: Durf je het leven te nemen zoals het is? Durf je te zijn? In plaats van te doen? Durf je gewaardeerd te worden voor wie je bent, in plaats voor wat je pres(en)teert?”

Aangespoord door mijn Calvinist kwam ik terecht op de website van vrijwilligerswerk in Wijchen. Ik bladerde door de vacatures. Niet mopperen op de regering, dacht ik. Niet roepen wat er wel en niet moet. Maar actief iets doen!

Toen ik de lijst langs liep, fluisterde mijn levensgenieter: “Daar! kijk daar eens!” Hij verstaat de kunst om te fluisteren met een uitroepteken.

Daar stond een vacature voor het maatjesproject van het GVO Nijmegen.

Het maatjesproject wil mensen met een (verstandelijke) beperking (deelnemers) één-op-één verbinden met  mensen die geen beperking hebben (vrijwilligers).

“Gewoon leuke dingen doen en verder niks”, zei mijn levensgenieter: “Niet nadenken over wat je allemaal moet doen. Niet je deskundigheid en je ervaring inzetten. Gewoon. Er zijn. Dat zal je goed doen.”

En zo maakte ik vandaag kennis met de coördinator van het GVO. Het was een fijn gesprek. Na de vakantie ga ik kennis maken met een deelnemer. Om te wandelen en koffie te drinken. Meer stond er niet op het formulier.

“Dat is vaker zo”, zei de coördinator: “ze zien soms zo weinig anderen, dat ze niet kunnen verzinnen wat je nog meer met je tijd kunt doen. Meestal vinden vrijwilliger en deelnemer samen nog andere dingen om te doen.”

Na de zomer dus. Eén keer per week. Er zijn. En meer niet.