Ik vertel op verzoek een verhaal als onderdeel van de presentatie van een van de deelnemers. (foto: Ivan Bartholomeus)
Goh, stap ik zo maar in een voor mij onbekende wereld.
Een wereld die ik zelfs een beetje van me af gehouden had.
Omdat het ruikt naar tupperware party’s.
Ik was vanmorgen op uitnodiging bij een netwerkbijeenkomst.
Niet zo maar eentje, maar een vaste club mensen die (volgens mij naar Amerikaans model) elke week bij elkaar komen, en elkaar actief leads en opdrachten toespelen.
Vragen, geen bedenkingen. Want ik heb mijn (voor)oordeel opgeschort.
Wat ik er goed aan vind:
– Het is een plaatselijke club. Ik houd erg van mijn netwerk op twitter en via mijn blog. Wil niet zonder. Maar wat ik mis is een plaatselijk netwerk. Mensen met wie je binnen de regio zelf aan de slag kunt. Dat is ook één van de redenen dat ik me in geschreven heb voor het maatjesproject , en het coachproject. Dat zijn, zeg maar, de participatiemaatschappij dingen. En nu ga ik dus ook de zakelijke kant binnen de regio maar eens op pakken.
– De club mensen steekt er energie en tijd in, om elkaar goed te leren kennen. Want je kunt natuurlijk niet zo maar iemand doorverwijzen. Mooi, dat commitment. Elke week elkaar zien.
Mijn vragen:
– Ga ik nu mijn andere netwerk, een netwerk dat bestaat uit vrienden (en waarbij ik de naam netwerk helemaal niet vind passen), lastig vallen met verzoeken uit dit zakelijke netwerk?
– Hoe zit het met dat aanbevelen? Dat doe je toch alleen als je als klant zelf goede ervaringen hebt gehad? Of is het alleen in contact brengen? Of ..?
Ik denk dat ik er wel uit ben.
Dit netwerk gaat alleen werken als het vrienden worden.
Dat betekent dat het alleen gaat werken als ik volledig mezelf kan zijn, daar.
En als dat kan, dan kunnen het allemaal vrienden worden. De een wat beter dan de ander misschien, maar mijn overtuiging is dat iedereen de moeite waard is, als je de ruimte neemt om hem/haar beter te leren kennen.
En als het vrienden zijn, dan is dat ‘in contact’ brengen ook geen probleem meer.
Dat dacht ik. Maar ik stokte bij het schrijven van die zin.
Want daar zit iets.
Wat?
Geef me even tijd. Want ik zit al schrijvende te onderzoeken.
*Staart even uit het raam naar prachtige wolken*
Het heeft te maken met belangen. Met iets van iemand willen. Met daar naar vragen.
En dat is mijn achilleshiel.
Want ik besef nu dat ik dat nooit doe. Iets vragen. Tenminste niet als ik het kan voorkomen.
Ik heb nog een heel oud en vreselijk niet-werkend systeem in mijn hoofd en handelen. En oude systemen slijten langzaam.
De weegschaal.
Die altijd een beetje uit moet slaan in een ’tegoed’.
Hoe werkt dat?
Nou, niks vragen dus. In plaats daarvan geven. Aardig zijn. Als je het lelijk wil zeggen: “krediet op bouwen”. Dat krediet zorgt er voor dat ik me niet schuldig voel als mensen aardig naar mij zijn. Maar dat betekent wel, dat ik na ontvangst van zo’n aardige actie natuurlijk hard aan de slag moet om dat krediet weer aan te vullen.
En als ik een keer met een domme actie het krediet verspeel, heel diep door de grond zakken. Stilletjes achter in gaan zitten, hopend dat niemand je ziet. Wachten tot het ‘weer kan’. En dan proberen een paar goede beurten te maken.
Ik beschrijf het nu overdreven. Maar als ik heel eerlijk ben naar mezelf is dat hoe het werkt.
Werkte.
Want hier en nu neem ik ter plekke een besluit.
Als ik mezelf iets waar vind, dan kan ik ook ergens om vragen.
Dan wordt mijn geven steeds meer een geven om te geven, in plaats van geven om een krediet op te bouwen.
Ho!
“Niet al te streng zijn voor jezelf!”, spreek ik mij nu toe. Want mijn geven is al een tijd niet berekenend meer, zelfs niet onbewust . . . Durf ik dat met droge ogen te zeggen? Ja. Dat kan ik namelijk merken, aan het plezier dat ik er in heb.
Goed dan. Misschien ben ik dan ook klaar voor het weg gooien van dat laatste restje weegschaaldenken. Het niet durven vragen.
En misschien past zo’n zakelijke club, waarbij dat geven en nemen heel erg expliciet gemaakt wordt, daar wel goed bij.
En ook wel goed: expliciet maken wat je van elkaar wil. Duidelijk. (Nee niet doorzichtig, dat is zo’n troebel woord aan het worden.)
En nogmaals: ik ga daar erg mezelf zijn.
Ik heb als aangekondigd dat ze allemaal duidelijker moeten gaan praten.
En waar ik het al snel over zal gaan hebben, is of zo’n club niet wat maatschappelijks kan gaan betekenen voor de regio. Niet om krediet op te bouwen. Maar gewoon omdat het klopt, omdat het dan helemaal een fijne club mensen is, een club waar ik me bij thuis kan voelen. (Misschien doen ze dat al hoor, en weet ik het alleen nog niet.) In ieder geval is het een fijn netwerk voor de jongere die ik straks ga coachen.
*benieuwd wat ik hier morgen van vind*
Oja, en lieve vrienden. Als jullie een keer lastig gevallen worden met zo’n netwerkverzoek uit die club… gewoon nee zeggen, als het je niet bevalt. Wij blijven hoe dan ook even goede vrienden.
(Als je tot hier toe gelezen hebt, hoor je daar wel bij, bij die vrienden vind ik.)
Cor Noltee vroeg een tijd terug in zijn blog “Van welk merk hou je? Welk merk zou je missen?”
Ik heb daar lang over nagedacht, en ik kon geen merk verzinnen. En dat is helemaal niet omdat ik anti-merk ben. Maar echt missen? Nee, ik kan geen merk verzinnen.
Maar dat is niet waar, natuurlijk. Ik zou merken die mooie dingen maken erg missen. Ik hoef ze alleen niet zelf te hebben. Maar ik wil ze wel tegen komen, de mooie dingen.
De maakt-niet-uit-als-het maar-werkt in mij voert strijd met mijn maakt-niet-uit-als-het-niet-werkt-als-het-maar-mooi-is.
Tja beiden, is vaak onbetaalbaar. Maar wel heaven.
Misschien moet ik daar toch maar eens mijn aankoopgedrag aan aanpassen. Alleen nog maar mooi en functioneel. En alle rotzooi links laten liggen, of rechts, mag ook.
Maar het kan ook gratis, dat mooi.
Ik geniet bijvoorbeeld elke keer opnieuw van zo iets simpels als deze stoeltjes. ¹
In de regen stralen ze. Maken ze van mijn sombere tuin een mooi schouwspel.
’s Nachts lichten ze op, omdat ze het licht van een straatlantaarn plukken.
Ik houd van het licht dat weerspiegeld wordt in die stoeltjes . Ik houd er van dat ze de kleur van het daglicht overnemen, en vermengen met hun eigen zilver.
Ik houd van de mooie lijnen.
Ik had ze zo als beelden in mij tuin kunnen zetten, zelfs als je er niet op zou kunnen zitten.
Ik sta er vaak naar te kijken. En dan ben ik elke keer opnieuw een klein beetje ontroerd, door dat beeld van die stoeltjes in mijn tuin.
We hebben ze gekregen. Afdankertjes. Ik zou niet weten van welk merk ze zijn. Maar ik zou de ontwerper wel willen bedanken.
Design is erg belangrijk.
Schoonheid is erg belangrijk.
Ook zonder merk.
¹ Nu nog zoeken naar een goede tafel. Die is natuurlijk helemaal niks, bij die stoeltjes. Komt. Volgende lente.
Het is geen kritiek. Het is de constatering dat ik een compact theater maak, dat soms net zo’n worsteling is als ik die met klassieke boeken heb.
Ik ervaar het als compliment. Want hij zegt er achteraan:
“Daarvoor is het te kostbaar. Te fragiel. In beleven. In begrijpen. In willen ondergaan.”
Ik neem je niet zo makkelijk mee, met mijn theater, maar ik neem je wel een stuk verder mee.
En dus wordt het zoeken naar publiek.
Want dat wordt straks één van mijn acties na de 25e. Als ik mijn tot nu toe laatst geplande try out speel.
Geleerde lessen op een rij.
Beter leren spelen, nóg meer loskomen. Nou ja, gewoon nog heel erg veel leren van het theatervak. Ik kom net een beetje in de bewust onbekwame fase, wat dat betreft.
Goede afspraken met theaters maken.
Kijken naar de prijs van het kaartje (want goede afspraken kosten geld)
En kijken waar ik mijn publiek vind.
Heb ik tóch zo maar een niche te pakken. Want mijn voorstelling is niet voor iedereen. Het is niet een avondje achterover hangen, en je laten vermaken. Het is hard werken, ook voor het publiek, heb ik inmiddels door.
Wel werk wat je genoegdoening geeft. Het kost wat, maar dan krijg je ook wat.
Dát publiek heb ik nodig.
Die niche.
(Rivella, noemde iemand mij ooit: beetje vreemd, maar wel lekker)
En misschien, heel misschien ga ik wat minder bloggen, om wat geconcentreerder te worden. Ook hier op mijn blog.
Om hier ook diezelfde compactheid te krijgen. Dan weten mensen wat ze aan me hebben.
Oejee, ga je dan een buitenkantje bouwen? Een merk?
Nee, dat ga ik niet. Ik ga stileren. En stileren kost tijd. Ach! Wat nou! Ik heb nog helemaal niks beslist. Dus vergeet die opmerking over dat stileren nou maar even. Dat heb ik niet gezegd, oké?
Een voorstelling spelen en toch het steeds anders beleven.
Oja, nog wat extra lessen:
– Bestel eerder eten. Dan kun je die Pizza’s laten bezorgen op een tijdstip dat vóór de aanvang van de voorstelling ligt, en hoef je niet een half uur bij een frietboer staan wachten (en jezelf opvreten) die op een hele drukke avond besloten heeft alles in zijn eentje te doen.
– Test de beamer eerder.
– Bestel een verlengsnoer voor de beamer.
– Let op welk stopcontact je gebruikt in een theater. Niet alles is gewone netstroom. (En dank Bob, die me hier op wees voordat ik mijn ringleiding aan gevaar bloot stelde.)
En dan, toch weer de rust vinden. Al was het hard werken in het begin. Want dit publiek keek zo geconcentreerd dat ik eerst dacht : “ze reageren niet”.
Maar ze reageerden wél! Maar anders. Concentratie, voelde ik op een gegeven moment, aan beide zijden van de lampen. Mooi. Anders is dus niet verkeerd. Daar kan ik volgende keer op vertrouwen.
En bijzonder van vanavond was, dat Natka nog meer aanwezig leek. Ik voelde haar. Ik speelde haar niet, ik wás haar. Fijn.
En weer bedankt mensen van het Prinsentheater. Jullie waren fijn om mee te werken.
Gisteren (gisteren? ja het is inmiddels gisteren) naar de premiere “Dummy Jim” geweest. @BiancavdHorst had vrijkaartjes geregeld, en ik kreeg het tweede kaartje van @RenskeHolwerda. Dus beiden, dank.
Bijzondere film over een bijzondere man. Heel beeldend, dus erg rustgevend om naar te kijken. En nog in the Eye ook (met een winkeltje met filmspullen!). Hier ga ik een keer met Fenna naar toe, neem ik me voor.
Vanmiddag heb ik de eerste ontmoeting met mijn ‘maatje’. Ik had me voor de zomervakantie opgegeven voor het maatjesproject (dat je het even weet, dus nog voordat ik van de term particpatiesamenleving had gehoord). Een dagdeel in de week samen iets doen met iemand met een verstandelijke beperking. Een middag gewoon lekker zijn, en verder niks. Lijkt me mooi voor iemand met zo’n doorloopkop als ik.
En dan ga ik twee dagen naar Brugge om de stad te zien.
Daar ga ik de Vlaamse primitieven bekijken. Jammer genoeg hangt Bruegel er niet, maar Jan van Eijck schijnt ook bijzonder te zijn.
Het wordt dus even rustig hier.
Ik denk dat ik pas zondag weer schrijf. Heb het goed.
Ik ga niet weghalen wat ik zelf schreef. Maar wat hier onder staat is tamelijk overbodig als je het artikel van Bas gelezen hebt. Dus als je jezelf de moeite wil besparen, mijn zegen heb je.
Er moet me iets van het hart.
En daarvoor ga ik me weer een keer op glad ijs begeven.
Ik word geraakt door de Zwarte Pieten discussie.
Nee hè? Moet ik ook zo nodig?
Ja, het spijt me, maar dit moet. Van mijn hart.
Niet zozeer de inhoud van die discussie. Ik wil die discussie hier helemaal niet voeren.
Ik wil het hebben over de manier waarop die gevoerd wordt.
Die is zo kenmerkend voor het niet naar elkaar luisteren, dat ik er verdrietig van wordt. En dat bedoel ik letterlijk.
Voor de duidelijkheid: ik houd enorm van het Sinterklaasfeest. Ik vind het een fantastische traditie. Ik heb als kind, als Zwarte Piet zelf, en ook als ouder ook enorm van de rol van Zwarte Piet gehouden. (Nu nog steeds, maar mijn kinderen zijn groot, dus dat staat wat verder van me af.) En ik vind dat we de Sinterklaastraditie moeten bewaren. Dat je even weet waar ik sta, is wel zo eerlijk en helder.
Maar nu die discussie.
Beide zijden zijn daar wat onhandig in.
Bezwaar aantekenen tegen een intocht vind ik geen sympathiek, én geen slim middel.
(update juli 2014: Uiteindelijk heeft het een principiële uitspraak van een rechter opgeleverd, en dat is wel weer winst, al vind ik nog steeds dat de discussie niet in de rechtszaal thuis hoort. En aan de reacties te lezen gaat de discussie nog wel even door. Laten we er een gesprek van maken en geen discussie.)
Maar de lawine aan boze opmerkingen daarover vind ik ook niet slim.
Beide partijen hebben een punt maar beide partijen schreeuwen zo hard dat ze elkaars punt niet horen.
Waar begint het mee?
Met het feit dat gewezen wordt op het racistische element van Zwarte Piet.
Ik denk dat racistische element er ooit in heeft gezeten. Hoe die Zwarte Pieten ook zijn ontstaan, er kleeft vanuit het verleden onmiskenbaar een racistisch tintje aan. Dat stamt uit de tijd dat we slaven en zwarte knechtjes nog heel gewoon vonden. Natuurlijk kwam het goed uit dat het knechtje zwart was. Niemand vond dat toen gek.
En natuurlijk zit die intentie er al lang niet meer in. Dat ben ik helemaal eens met de Zwarte Piet verdedigers. Pieten zijn geëvolueerd van bangmakers naar lievelingen. Mooie ontwikkeling.
Niks aan de hand dus?
Niet helemaal.
Want wat ik dom vind van de Zwarte Piet verdedigers is dat ze denken dat als de intentie goed is, meteen ook alles goed is.
Ze vergeten dat iets anders over kan komen dan wordt bedoeld. (En er zijn dus mensen die zeggen dat het beeld van Zwarte Piet op hen racistisch overkomt. Dat ze zich daar niet fijn bij voelen. Luister daar naar! Luister bijvoorbeeld ook eens naar mensen uit het (blanke!) buitenland die met verbazing naar de zwarte knecht kijken.)
Dát is wat ik zo vreselijk jammer vind.
Dat mensen in de verdediging schieten. En alleen maar kunnen zeggen: “Zo is het niet bedoeld.”
Kijk alsjeblieft iets verder. Slik je verdediging in. Vraag door als iemand zegt hoe het overkomt.
Jezelf verdedigen is per definitie: niet luisteren.
Jammer!
Gemiste kans.
Want op deze manier gaat de andere partij steeds harder roepen. En naar steeds drastischere middelen grijpen. Zo drastisch dat ze daarmee de verdedigers voeden, zodat die in de aanval kunnen gaan.
En u weer even weg van die Zwarte Piet. (1)
Want dit zie ik steeds terug.
Ik hoef geen voorbeelden te geven. Alle discussies die nu op het scherp van de snede gevoerd worden, en beland zijn in de scheld-en-dood-wens fase zijn op deze manier begonnen.
-Niet luisteren (of verdedigen)
Harder schreeuwen.
-Nog minder luisteren.
Nog harder schreeuwen.
-Zich afwenden.
-Sterke middelen gebruiken.
Tegenacties, ook met sterke middelen.
– “Zie je wel!” roepen
“Huilie huilie ” roepen.
En vanaf dat moment zijn beide partijen alleen nog maar bezig om elkaar zwart te maken.
En dát is het echte Zwarte Pieten probleem.
(1)
Mijn oplossing? Die wil ik wel geven. Ik zeg niet dat dit de beste is. Ik wil ook niemand overtuigen van deze oplossing. Ik wil alleen ook niet weglopen voor mijn standpunt hierin.
Niet afschaffen. Zonde van de mooie traditie. Wel heel langzaam doorgaan met het wegnemen van het racistische tintje. Geen Surinaams accent meer opzetten. En heel langzaam andere kleuren invoeren. Wat dat laatste betreft een gigantisch gemiste kans, want die hadden we een paar jaar geleden: regenboogpieten. Die hadden ze door moeten zetten. Over een paar jaar een generatie kinderen, die helemaal niet gek meer op kijken van Pieten in alle kleuren. Natuurlijk is traditie mooi. Maar tradities veranderen mee met de tijd. Waarom deze niet? Op deze manier bewaar je de essentie van de Pieten.
Belangrijker dan een oplossing, is het om met elkaar in gesprek te gaan.
Dat de Zwarte Pieten liefhebbers erkennen dat die Pieten anders over kunnen komen dan ze bedoelen. (Dus stop met roepen: “Poten af van de Sint”. Leef je eens in. Vraag door.)
Dat de Zwarte Pieten critici erkennen dat de intentie achter Zwarte Piet al lang niet meer racistisch is. Dat mensen daar vaak zelfs helemaal niet bij stil staan. Ik denk dat Zwarte Piet bij kinderen vaak populairder is dan Sint. (Dus stop met roepen: “Fout!” Leef je eens in: Kijk naar alle mooie dingen van dat feest. Doe mee.)
PS
Op Radar staat een zinnig stuk. En gek genoeg is ook op Geen Stijl een goed stuk te vinden. Scherp, maar ze prikken wel mooi door alle verdedigings-argumenten heen, stuk voor stuk.
PPS.
Dit is NIET bedoeld als onderdeel van de Zwarte Pieten Discussie. Volgens mij zijn alle argumenten overal wel te vinden. Die hoeven hier niet herhaald te worden.