Twee dagen op bezoek bij Ineke Brouwer, mijn buurmeisje toen, in Beetsterzwaag. Ik ben ook op bezoek geweest bij haar ouders. Haar vader was leraar van de 6e klas, en hoofd van de school.
Voor hij kwam (1970) was de school erg ingeslapen en streng. Ik heb in de eerste en tweede klas (groep 3 en 4) nog leren lezen met het leesplankje: aap noot mies. We schreven met kroontjespen (3 x zonder fouten en je mocht me gekleurde ecoline schrijven.)
Meester Brouwer heeft veel onderwijsvernieuwingen ingevoerd. Dat kon hij, want hij hoefde nog niet zo idioot veel te verantwoorden. (Hij vertelde me dat de laatste jaren de lol er flink van af ging.)
Praten met Ineke was fijn. Ze weet veel meer dan ik van vroeger. En ze kent me nog als 8 jarige. Wat ze beschrijft is een onaangepast maar aardig joch. Een dromer die in alles iets bijzonders ziet.
Ineke en ik hebben nooit iets voor elkaar ‘hoog’ hoeven houden. We hebben elkaar altijd geaccepteerd zoals we waren. Ik was toen behoorlijk onbevangen, als ik de verhalen terug hoor.
Ik ben zo blij dat ik dat nu weer ben.
Of ik spijt heb van die tussenliggende jaren, waarin ik me flink heb lopen aanpassen?
Nee natuurlijk niet. Dat was ik ook.
Jezelf niet zijn, of jezelf voor de gek houden, bestaat eigenlijk niet. Je bent wie je bent, ook als je dat niet bent. Als je begrijpt wat ik bedoel.
Maar thuis komen bij die verwondering is prettig. Meer dan prettig.
En . . . je kunt alleen maar thuis komen als je eerst vertrekt.
Ik ga ze vanavond allemaal erbij zetten. (nu eerst naar studievoorlichting met dochter)
laat ze maar komen op twitter met de hastag #verlorenvaardigheden. Dan maken we er een twitternostalgiamuseum van.
En om te voorkomen dat “Stenen bijl maken”er tussen zit , spreken we af dat we zo rond 1970 beginnen.
-Schrijven met een kroontjespen
-Kettingpapier in een printer doen
-Correctielint verwisselen
-Videorecorder programmeren
En dan de aanvullingen: (via de reacties hieronder en via twitter)
– Verlengsnoer aan de telefoon (zo’n oprolding) als je je vriendin op de bank wilde bellen, wat een paar meter verder was dan de telefoonaansluiting in de muur.
– Alle afspraken opschrijven in mijn papieren agenda en dan doorstrepen als ze moesten worden verplaatst
– Een brief schrijven of een kaart sturen als ik een vriendje had en dan dagenlang wachten op een reactie.
– Zelf je groente snijden (wat ik overigens nog steeds meestal zelf doe ipv kant-en-klaar gesneden kopen).
– Schoenen poetsen en kleding strijken (vouw in m’n broek).
– ‘Zondagse kleren’ hebben
-Een bandje maken van de liedjes op de radio. Zonder dat de dj er doorheen praat, natuurlijk (bonuspunten). De taperecorder of walkman terugspoelen tot het juiste liedje.
-MS DOS
-Het potje Typpex correctielak zo lang mogelijk proberen te gebruiken
-Op de juiste manier tegen een flipperkast schudden zodat hij niet op TILT springt.
-kanalen zoeken op de radio en televisie!
– telefoonnummer opzoeken in telefoonboek
-spoorboekje uitpluizen
-telefoongesprek aanvragen bij de centrale
-telefoonnummer draaien ipv toetsen
-kont schoonvegen met een steen (uit Spanje)
-Opname maken met een bandrecorder van de Top 1000 op de radio
-carbonpapier tussen de A4 tjes leggen en typex gebruiken
-cassestebandje plakken en met potlood weer terugdraaien in de cassette
-faxen natuurlijk en de telex
-de vriezer ontdooien
-sokken stoppen
-naar de buren lopen ipv WhatsAppen
-Bij de bank geld halen aan het loket ipv uit de pinautomaat.
-Zo’n grote zwarte 5 inch floppie heel zien te houden.
-werkstukken op school met de hand schrijven
-Borland Turbo Pascal
-008 bellen
-met een krijtje op je schoolbord schrijven
-telefoonnummers draaien
-volgens rooster televisie kijken met je groep
-halverwege de fietstocht naar school stoppen om het bandje in je walkman om te draaien
-rammen op je radio om de levensduur van je batterij net even te verlengen
-Overheads maken met transparante velletjes en stiften
-de tijd (002) bellen, zó rustgevend…
– ponskaarten gebruiken
– kaartjes knippen (die dikke kartonnen, in de trein)
– girobetaalkaart schrijven
– Naar de televisie lopen om over te schakelen naar het andere Ned.
-De platenspeler omzetten naar 33 of 45 toeren.
– De plaat omdraaien om de andere kant af te spelen.
–Zo’n ringetje in je singeltje leggen om hem op de juiste plaats op de platenspeler te houden.
-Zoeken naar een Kermit punt om ‘mobiel’ te kunnen bellen.
-Teletekst gebruiken om het laatste nieuws te lezen en om de televisiegids te bekijken.
-De choke eerst helemaal uittrekken om de auto te starten en dan langzaam weer terugduwen om de auto niet te verzuipen.
-Wachten tot je verzopen moter weer wilde starten.
-Raampje opendraaien in de auto als het te warm werd. En als het echt niet te harden was, een handdoek tussen het raam klemmen.als gordijn.
-De diesel-auto eerst laten ‘voorgloeien’ totdat het lampje uitging, en hem dan te starten.
-Liften.
-Bibliotheekboeken laten afstempelen op zo’n archiefkaartje, met de datum waarop hij terug moest zijn.
-Balen omdat je je favoriete televisieprogramma gemist had.
-Op de weg rolschaatsen omdat het autoloze zondag is.
-Lachen om de Mounties
– Het begrip Biogas opzoeken in de encyclopedie, in het deel Bin tot Can.
-Van de radio een hele hoop piepjes en geruis opnemen op je cassettebandje en dat dan laden op de computer en dan in zwart/groen Snake spelen.
-het kwik ’terugslaan’ in de thermometer, zie het m’n moeder zó weer doen.
-in auto met stratenboek op schoot de weg zien te vinden.
-ponsband lezenin
-een hele vakantie maar 36 foto’s maken
-de pootjes van de typemachine ontwarren als je te snel hebt getypt.
Nee hoor, ik ben gewoon een dagje weg. Ik logeer bij mijn vroegerebuurmeisje. Goede oude tijden ophalen.
Haar vader was trouwens een van de eerste de me de liefde voor toneel bij bracht. Hij was leerkracht van de 6e klas. Elke winter speelden de leraren van Friese scholen een toneelstuk voor de bovenbouw. Ademloos heb ik zitten kijken. Dat wilde ik ook.
Om te zorgen dat mijn theater voor zo veel mogelijk mensen toegankelijk is.
De vraag is.. waar ligt de grens.
Spannend.
Duidelijkheid van mijn kant:
Ik ben zelf slechthorend. Daarom wil ik aanpassingen maken. Zodat zoveel mogelijk mensen het kunnen beleven. Gebarentolk, schrijftolk.
Er is wel een grens.
Die grens is dat dit NIET een voorstelling is die ik speciaal maak voor slechthorenden, of voor doven of voor doofblinden.
Het gaat ook niet over slechthorendheid, doofheid of doofblindheid.
Voor doven is er bijvoorbeeld al een handtheater. Zoiets dat doe ik dus niet.
Ik denk mee aan manieren om de toegankelijkheid te vergoten. Dat meedenken gaat zo ver dat het de manier waarop ik mijn verhaal vertel zal beïnvloeden. Op die manier voegt het ook iets toe. Zover dat ik naast geluid, tekst en beeld wil gaan kijken of ik de energie van het verhaal kan overbrengen. (ja dat klinkt wat new-age achtig, dat ben ik me bewust)
De tolken betrekken bij de voorbereiding is ook iets wat me leuk lijkt.
Maar het wordt daarmee niet een speciaal aangepast programma.
En ook al wil ik graag rekening houden, en neem ik alle praktische tips mee (waterbakken voor hulphonden, bijvoorbeeld, was ik zelf nooit op gekomen)
Gisteren schreef ik al dat verhalen gemaakt worden om de waarheid te ontdekken. Over de wereld, en over ons zelf.
Dan gaat het om grote waarheden. Niet of iemand dat laatste koekje nu wel of niet gegeten heeft.
Grote waarheden vind je alleen tussen de regels door. Zodra je ze wil bewijzen, aantonen of zelfs maar wil benoemen verdwijnen ze als zand tussen je vingers.
Volgens mij hadden ze dat vroeger door. Toen goden nog gewoon ingrepen in het dagelijks leven. Toen verhalen nog hielpen om al het onbegrijpelijke een plek te geven.
Nu vinden we dat dom en achterlijk. Omdat we denken te weten hoe het wel zit. En vanuit die arrogantie menen we onderscheid te moeten maken tussen wat waar is en wat niet. Daarmee reduceren we de grote waarheden tot wel of niet echt gebeurd, en belanden we op het niveau van het laatste koekje.
Ik vermoed dat vroeger mensen helemaal niet zo bezig waren met de vraag of iets waar is. Tenminste niet in de zin van bewijsbaarheid, waar we tegenwoordig zo op kikken.
Het is straks weer Pasen. Het feest waarmee christenen vieren dat Jezus is opgestaan. Wat voegt het toe om te bepalen of dat echt gebeurd is? Waarom willen we dat?
Als je er voor kiest, is het een waarheid waar je wat mee kunt in je leven. Het heeft mensen overal ter wereld kracht gegeven.
Als je er voor kiest.
Want je mag ook voor een ander verhaal kiezen. Jammer dat veel christenen dat niet door hebben.
Het verhaal van Jezus is een van de vele verhalen.
De Dreamtime van de Aboriginees, is een ander.
Een bijzonder mooie manier waarop droom en werkelijkheid worden verweven. Geen afzonderlijke begrippen. Geen wel of niet echt gebeurd. Alleen waarheid.
We kunnen daar van leren. Als we het lef hebben om het echt gebeurd wat vaker los te laten.
Eigenlijk baal ik een beetje van het feit dat storytelling zo hot is.
Voor een deel is dat gewoon kinderachtig “ik-had-het-eerder-ontdekt” gedrag. Maar voor het grootste deel is dat omdat ik vind dat storytelling grandioos misbruikt wordt.
Wij vertellen elkaar verhalen om grote waarheden te ontdekken. Over de wereld. Over ons zelf.
Een goed verhaal legt een grotere waarheid bloot dan wat de bedenker er bewust in stopt.
Verhalen vertellen om een gewenste werkelijkheid (brand, reputatie) de wereld in te brengen, is de boel omdraaien. Op die manier behang je de wereld.
Verhalen zijn juist bedoeld om achter dat behang te kunnen kijken.
Of er doorheen. Zoals een vel papier op een munt leggen, en dan met potlood eroverheen krassen. Daarmee krijg je een hint van wat verborgen is. Dat is wat verhalen doen.
Als een bedrijf op die manier herontdekt waar het voor staat. Als een bedrijf op die manier zijn ziel blootlegt. Dan is storytelling een mooi instrument.
Probeer op die manier eens naar al die stories van bedrijven te kijken. En zie dan nog eens wat er van over blijft.