Scheppen is een mooi, maar zwaar ambacht.

Er zijn van die dingen die je weet. En dan toch net weer anders blijken. Steeds opnieuw. Als babushka poppetjes.

Op zoek naar de waarheid moet je jezelf ook afpellen. Dat is misschien waarom het zo schoksgewijs gaat. Een hele tijd niks, en dan plotseling een inzicht.

En, om het ingewikkelder te maken: dat inzicht moet dan ook nog indalen. Van hoofd naar hart naar lijf.

Maar zo simpel ligt het niet. Ik vermoed dat het weten oneindig meer dimensies heeft dan dat hoofd, hart en lijf.

Goed.

Genoeg vage klets.

Waar gaat het deze keer over?

Houden van mezelf.

Ja, een grote. Niet voor niets dat die zo gelaagd is, natuurlijk.

Het inzicht is dat ik, één keer in de zoveel tijd, mezelf aan mijn eigen haren omhoog moet trekken. Ik heb dat pas nog gedaan, uit de put geklommen. Zelf een touwladder geknoopt, van lucht. Maar hij werkte.

Het was eigenlijk ook geen touwladder, maar een wenteltrap. Want het is een vicieuze cirkel, die twee kanten op gaat. Naar boven en naar beneden.

De buitenste laag van deze waarheid zijn de “fake it untill you make it”, en de “gebeurtenis-gedachte-gevoel” dingetjes. Ik doe daar een beetje schamper over, omdat daar veel klok over lees, en weinig klepel.

Het lijkt zo simpel. Gewoon even een andere gedachte opzetten. Alsof je even op een knopje van je MP3 speler drukt. (Vroeger was de beeldspraak dat je een andere plaat op moest zetten. Daar moest je tenminste nog een beetje moeite voor doen.)

Ik weet inmiddels dat oude gedachten en gevoelens zich niet zo maar laten wegdrukken. Die komen terug totdat je ze accepteert. Nog zo’n woord, dat veel meer lagen heeft dan we beseffen.

Dat haren trekken werkt bij mij alleen als ik ook naar die andere stem luister. Mijn criticus serieus neem. Vraag wat er nu eigenlijk achter zit, achter die pestopmerkingen. (Hoe meer ik hem negeer, hoe gemener de opmerkingen die hij naar mijn hoofd slingert)

Tot zo ver de theorie.

Want hoe het in het echt gaat, blijft voor mij een wonder. De omslag gebeurt vaak zo plotseling, dat ik niet weet wat ik nu eigenlijk gedaan heb. Net zoals het me als kind nooit gelukt is om het moment waarop ik in slaap viel bewust meemaken.

Goed.

Ik ben uit die put, van een tijdje terug.

Maar nu.

Nu dat podium. Daar heb ik al op gestaan, maar het feit dat het zo moeilijk is om zalen te vullen, zegt iets over het geloof in mezelf, vermoed ik.

Leuk dat ik van mezelf houd. Daar ben ik heel blij mee. En het is genoeg.

Maar dat podium wil meer. En ik wil dat podium, dus ik wil meer.

En dan moet ik toestaan dat heel veel mensen van me houden. Niet alleen toestaan, maar ook nog geloven.

En daar zit diezelfde vicieuze cirkel.

Alleen als ik geloof dat zo veel mensen van me kunnen houden, kunnen zoveel mensen van me houden.

In de buitenste laag is dat “fake it till you make it”. In de kern is het scheppen.

Het nieuwe is de acceptatie dat dát nu juist iets is dat voor mij haast onmogelijk moeilijk is. Juist omdat ik zo slim ben. Slim zijn houdt voor mij in: overal vraagtekens bij zetten. Nooit iets zo maar aannemen. Alles kan anders zijn dan het lijkt. Slim is in mijn geval vaak het tegenovergestelde van praktisch. Helemaal niet zo slim dus.

Gelukkig houd ik ook van verhalen.

In die put knoopte ik van lucht een touwladder.

Nu nog mijn eigen rode loper scheppen.

Scheppen is een mooi, maar zwaar ambacht.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.