vervolg

Met het opzij duwen van de laatste braamstruik had hij een pad vrij gemaakt dat leidde naar een open plek. En daar stond de poort. Toen Doni dichterbij kwam leek de open plek groter te worden, veel groter. De poort torende hoog boven hem uit. Doni moest zijn hoofd achterover houden om de woorden te lezen.

“Reiziger die verder gaat, weet wel dat hier alles bestaat.”

Als Doni dacht, deed hij dat niet in zinnen, maar in plaatjes. Nu sprong het beeld van een grijsblauwe vogel zijn hoofd in. Hij probeerde voor te stellen hoe de vogel langzaam onder de poort door stapte. De lukte niet. De reiger bleef staan, op zijn ene poot. Dus keek hij nog een keer goed naar de tekst.
Reiziger, stond er, zag hij nu. Het beeld veranderde direct. Hij zag zichzelf in een lange jas, met een koffer in zijn hand. “Ik ben helemaal geen reiziger.”, dacht Doni. Hij las de zin nog een keer.
“Waar is ‘hier’ ? Begint dat onder direct onder de poort? En wat bedoelen ze met ‘alles’ ?” . Doni aarzelde, deed een stap onder de poort door en bleef staan om te zien wat er gebeurde.

Niets.

Doni haalde opgelucht adem. Hij was even bang geweest dat de monsters uit zijn dromen tevoorschijn zouden komen. Dromen waaruit hij altijd gillend wakker werd. Niet slim om daar aan te denken, want nu zag hij ze direct in zijn hoofd, net als de reiger en de koffer.

Met een schok ontdekte hij dat ze echt waren, ze zaten ook buiten zijn hoofd. Hij voelde ze zelfs. Die vreselijke klimplant die hem elke nacht opslokte (als het monster niet sneller was), kroop langs zijn been omhoog. De greep van de plant werd sterker. Doni wilde een stap terug doen, maar de plant sleurde hem mee. Hij kneep zijn ogen dicht, en riep tegen zichzelf:
“Wakker worden! Dit is altijd het moment waarop ik wakker word! Toe nou!”
“Je bent wakker”, zei een stem. “Kijk me aan.”
Doni deed zijn ogen open.

2. De oude man

Meestal zat zijn moeder op zijn bed als hij wakker werd uit zo’n akelige droom.
Ze wiegde hem zachtjes en vertelde dat het maar dromen waren. Het wiegen hielp. De mededeling dat het maar dromen waren niet. Op een of andere manier maakte dat het alleen maar erger, maar hij wist niet goed hoe hij dat uit kon leggen aan zijn moeder. Aan geen enkele volwassene kon hij trouwens iets uitleggen. Het was alsof uitleggen iets was dat je pas kon doen als je volwassen was.

Maar nu was het niet zijn moeder die op zijn bed zat, maar een oude man. Tenminste, hij was kaal en had rimpels. Maar hij leek helemaal niet oud. En welke oude man droeg een Mickey Mouse T-shirt?
De oude man keek hem aan, en begon te spreken. En hoewel hij rustig sprak, klonk er haast door in zijn stem, bezorgdheid zelfs.
“Ik snap dat je veel vragen hebt. Ik zal je alles uitleggen, als je me nu niet in de rede valt. Kun je dat?”
Doni knikte. Op dat moment bonkte er iets zwaars tegen de deur.
“Dat bedoel ik.”, zei de oude man: “We hebben niet veel tijd. Nee, niet je ogen dichtknijpen, dat helpt niet. Je bent al wakker.”
De man pakte Doni bij zijn handen.
“Luister. Dit is geen droom. De poort is ook geen droom.” Doni voelde een grote “maar” opkomen. De oude man zag het en legde zacht zijn vinger tegen de lippen van Doni. “Straks mag je vragen stellen. Het mooiste zou zijn als je het zelf zou ontdekken, maar daar is nu geen tijd voor. Het gaat sneller als ik het uitleg. Wat er op die poort staat is waar. Alles bestaat hier. Alles wat je bedenken kunt is er ook. Direct. Jij hebt een levendige verbeelding. Dat is waarom je de poort zo makkelijk vond.”
Op dat moment klonk er glasgerinkel. Door het raam van Doni’s kamer kronkelde een slingerplant naar binnen.
“Een beetje te levendig. Luister goed: we zijn hier nog steeds in het land waar alles bestaat. Dat daar buiten zijn jouw planten en jouw monster. Je hebt ze laten bestaan. Net als deze kamer. Die riep jij op door in je wens om wakker te worden.”
Weer een harde bonk. Nu leek de hele muur te bewegen. Er ontstond een scheur die tot in het plafond door liep. Gruis viel op Doni’s bed. Als dit echt was, wie was die man dan? Waarom deed hij niets? Het leek alsof de man wat van hem verwachtte. Maar wat dan? Hij was hier onbekend.
“Wat moet ik doen?” vroeg Doni.
Er verscheen een grote lach op het gezicht van de man.
“Ik wist het. Wat een reus ben jij. Zo klein en zo abel. Ik ga je een vraag stellen. En ik wil dat je goed over het antwoord na denkt.”
Op dat moment rinkelde er meer glas, de rode bal kwam de kamer binnengevlogen. Doni kromp in elkaar.
“Wil jij deze monsters?”, vroeg de oude man.
Wat een idiote vraag, dacht Doni. Natuurlijk niet. Maar ik heb niks te willen. Ze dringen mijn dromen in, of ik wil of niet. en nu zijn ze hier.
Het was alsof de man gedachten kon lezen.
“Je hebt wél wat te willen. Voel het. Van binnen. Wil je deze monsters en planten?”
Doni voelde. En toen ontdekte hij iets nieuws. Hij voelde iets anders dan buikpijn. Hij voelde kracht. Zonder het te weten had hij zijn vuisten gebald. Hij was boos! Nee! Hij wilde ze niet, die monsters en de planten. Ze hadden hier niks te zoeken. Dit was zijn kamer!
“Nee!” zei hij luid.
Doni voelde een schok. Er klonk een geluid als van een zware kluisdeur die dicht viel. Toen was alles ineens stil. Het raam was weer heel. De scheur in de muur was weg. Doni knipperde met zijn ogen. Even verwachte hij zijn moeder te zien. Maar nog steeds zat daar de oude man.

One thought on “vervolg”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

CommentLuv badge