Hoe multicultureel zijn we eigenlijk?

Als je jeuk krijgt van het woord multicultureel, ga dan ergens anders lezen. Ik ben voor multi-culti. Het alternatief is een mono-cultuur, en in de landbouw weten we waar dat toe leidt.

Ik gaf les over de Grieken en Romeinen.

Rare jongens, die Romeinen, maar nog niet zo raar als de Spartanen. Daar draaide alles om fysieke kracht en durf.

Hoe anders is dat nu. Alles draait tegenwoordig om het juiste verhaal.

En wat moet je dan, als leerling die daar niks mee heeft, met dat praten?

Stefan is zo’n fysieke jongen. Lekker rouwdouwen, laten zien wie het sterkste is, wie het meeste durft, en een ruzie los je gewoon op met een stomp. Hoe simpel kan het zijn.

Maar nee, dan komt er een begeleider die zo nodig alles moet uitpraten. Wazige shit waar je niks mee kunt. En omdat je er niks mee kunt loop je grote kans de status van probleemjoch te krijgen.

Deze leerlingen hadden in Sparta de hoogste status gehad. Op veel scholen in Nederland bungelen ze ergens onder aan.

Ook Stefan heeft het moeilijk op onze school. Wij houden van praten. Alles wordt er mee geregeld. Onze cultuur heeft weinig plek voor zijn talenten.

Zeg ik hiermee dat we terug moeten naar Spartaanse toestanden? Nee, alsjeblieft niet!

Maar een beetje meer aandacht voor wat niet meteen past, is wel fijn.

Voor Stefan betekent het bijvoorbeeld dat we een free-running clubje gaan organiseren. Kijken wat we op het schoolplein aan uitdagende obstakels kunnen vinden en maken. Onze gym bestaat al voor een groot deel uit lekkere zwaai- en klimactiviteiten, kunnen we mooi combineren.

En dat praten? Dat blijft. We gaan Stefan leren hoe hij daar mee om kan gaan.

Wel goed om te blijven beseffen dat de manier waarop wij de boel geregeld hebben niet voor iedereen even vanzelfsprekend is.

 

 

 

 

 

Waar zit jij, op de sjaal?

Geen digibord kan er tegenop.

Tegen roeien met de riemen die je hebt.

Ik wilde deze tekening maken.

onzekerstoer

Om uit te leggen dat stoere kinderen reageren vanuit dezelfde onzekerheid als verlegen kinderen.

Maar geen digibord, geen schoolbord, en zelfs geen pen en papier bij de hand.

Saskia pakt haar knuffel en legde de sjaal op tafel en vouwde hem in een hoek.

“Ik denk dat ik soms hier en soms hier zit”, zegt ze, “maar dan niet helemaal aan het uiteinde. Van beiden een beetje.”

Ze wijst het aan op de sjaal.

Jasmijn wijst op de verlegen sjaalpunt, iets onder de helft.

“Hier zit ik, denk ik”

En meteen weten ze dat die jongen waar ze af en toe last van hebben, dus op het uiteinde van de ‘stoere’ sjaalpunt zit, en dat hele stille meisje aan het andere uiteinde.

Beiden dezelfde sjaal.

Beiden onzeker.

“Eigenlijk is iedereen onzeker” zeg ik. “Je weet nooit zeker of anderen jou oké vinden, precies zoals je bent. Als je dat vervelend vind, ga je iets doen om dat vervelende niet te hoeven voelen. Zo stoer/zeker worden dat niemand je kan raken, of juist heel stil worden zodat ze je niet zien. Of aanpassen”

En als je beiden niet wil?

Dan moet je dus leren omgaan met die onzekerheid. Dan helpt het als je het oké vindt dat die er is. Dat betekent dat je vreugde binnen laat, maar dat ook de pijn er mag zijn.

Het zijn de dragers van de school met wie ik deze gesprekken voer. En ik zie dat ze het snappen.

Een van de leerlingen die al veel langer op onze school zit, kijkt naar de sjaal, en zegt bedachtzaam: “Ik herken me niet zo in de uiteinden, ik voel me niet verlegen, en ook niet stoer.”

Ik kijk naar hem. Hij is rustig, zit eerder aan de verlegen dan aan de stoere kant. Maar hij heeft gelijk. Hij is niet verlegen. Als hij iets te zeggen heeft doet hij dat. Hij komt voor zichzelf op als het moet.

Zou het komen omdat hij al een tijd mee draait in democratisch onderwijs?

Want ik besef nu hoe waardevol het is wat we doen op deze school.

Als je wil leren omgaan met de onzekerheid van de wereld moet je daar wel de kans voor krijgen. Dan moet niet alles voor je geregeld worden. Dan moet niet alles vertaald worden in goed of fout, of hoe het hoort.

Er is vaak gedoe op school. En dat gedoe is nodig. Om je plek te vinden. Om te leren accepteren dat het er allemaal bij hoort. Het leuke én het vervelende.

Fijn, dat een steeds grotere groep kinderen gaat beseffen dat dát is wat we hier leren met ons spel: wie we zijn. En dat we er mogen zijn, zoals we zijn. En hoe dat zicht dan verhoud met rekening houden met elkaar.

Ik ben totaal niet bang dat het spel daardoor minder spontaan wordt.
Wel veiliger, want deze kinderen gaan straks lekker weer voluit spelen, maar intussen werken wel samen aan een basis waar we op terug kunnen vallen.

En daarom is roeien met de riemen die je hebt zo mooi. Veel mooier dan een digibord. Want ik hoef maar te zeggen: “waar zit hij op de sjaal?” en ze weten meteen waar ik het over  heb.

 

 

Dragers van de school

Ik heb het kinderkantoor afgehuurd.

Zo gaat dat op een democratische school. Leraar zijn geeft mij geen recht om eigenhandig een ruimte te bezetten. Dat gaat in overleg.

Daar zit ik. Met een aantal kinderen die ik in de wandelgangen aangesproken heb.

Helpen om de school een fijnere plek maken. Dat is wat ik als overkoepelend begrip gebruikt heb. En dat is voor deze kinderen genoeg. Enthousiast hebben ze allemaal ja gezegd. En ik weet dat deze negen kinderen lang niet de enige zijn. Maar ik wil niet te groot beginnen.

Ik begin met uit te leggen wat ik van plan ben. We gaan iets doen wat in nog geen enkele ‘samenleving’ gelukt is. We gaan elkaar aanspreken op gedrag, en we gaan dat doen zonder dat we een verstikkende sociale norm opleggen.

Het is nodig.

Er wordt te veel rotzooi gemaakt. Er gaan te veel dingen stuk. Er zijn te veel conflicten.

Het is allemaal nodig, het hoort er allemaal bij.

Maar te is te.

Veel kinderen gaan wel verantwoordelijk om met spullen. En die balen er van dat andere kinderen dat niet doen. Maar ze weten niet hoe ze daar iets aan kunnen doen.

Hoe spreek je iemand aan?

Dat is lastig,

en eng.

Als je het niet eng vindt weet ik niet of ik je vertrouw.

Daar gaan we elkaar dus nu bij helpen. Daar is deze groep voor. Dragers noem ik ze. Kinderen die de school helpen dragen.

Ze zijn niet alleen enthousiast. Ze willen meer.

We kunnen ook helpen bij conflicten.

We kunnen kinderen waarvan we zien dat ze het moeilijk hebben steunen.

En ja, ook dat gaan we doen.

En de groep gaat groeien. Als ik dat zeg komen er meteen namen van andere kinderen die er bij kunnen, omdat ze het ook kunnen.

En dan zeg ik dat ik misschien juist wel ‘drukke’ kinderen, die het nog niet kunnen, er bij wil. Want hier bij horen geeft ze misschien net wat nodig is om drager te worden.

Ik had enige weerstand verwacht. Maar nee, wéér komen er namen. Deze keer van kinderen waar ze soms last van hebben, maar waar ze dus nu zij-aan-zij mee willen staan.

Ik wil Pieter er bij. Juist omdát ik last van hem heb. Ik wil hem op een andere manier leren kennen.

We praten over wat er gebeurt in school. De kinderen bekijken nu opeens incidenten met de vraag wat kinderen nodig hebben.

Wat hebben deze kinderen het goed begrepen.

Ze zijn geen ploegje ordebewakers.

Ze zijn dragers

van de school

van elkaar

van kinderen die het moeilijk hebben.

En er komen nog veel meer bij, want we kennen met elkaar meer dragers dan deze negen.

Wat ben ik vreselijk blij met ze.

 

Huiswerk in mijn vakantie

Ik heb vakantie en ik heb huiswerk.

Wel heel gaaf huiswerk.

Ik maak de laatste objecten af, voor de League Challenge.

IMG_20151030_085324776

En ik ga met de robot spelen om straks de kinderen te kunnen helpen als ze vast zitten.

Ik ga ook  verder met gamemaker spelletjes maken. Zodat ik weer nieuwe dingen ontdek die ik door kan geven aan de kinderen. Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voor dat dat omgekeerd gaat gebeuren.

gamemaker screen1

gamemaker screen2

De cavia’s zijn de knuffels van de kinderen van school. Hun leerwens was een spel maken met de eigen knuffels in de hoofdrol.

En ik lees me suf. Voor geschiedenis.

De Romeinen heb ik gehad. Nu komen de middeleeuwen, en de overgangsperiode daar naar toe. Geschiedenis is alleen maar leuk als er goede verhalen te vertellen zijn. Die zijn er zat, want echt gebeurd is vaak vreemder dan verzonnen; maar je moet wel even zoeken. Gelukkig heb ik goede boeken gevonden. Ik ben vooral fan van Tom Holland, en laat hij nu net over die periode een boek geschreven hebben.

IMG_20151030_085448062

(Die Gilgamesh hoort er qua tijdlijn niet bij. Die is voor later, als ik weer opnieuw begin met de tijdlijn, want het verhaal van Gilgamesh is nog ouder dan de Ilias.)

Ik ben ook al aan het nadenken welk museum leuk is. En over hoe ik de kinderen dan ga voorbereiden. Want musea zijn pas echt leuk als je al van alles weet over wat daar ligt. Als je de verhalen van de voorwerpen al kent, krijg museumbezoek extra diepte: met eigen ogen aanschouwen hoe het echt was.

En dan is er nog het timmeren, en de electrotechniek waar ik in wil duiken. Ik weet niet of ik deze vakantie daar nog aan toe kom. Zo niet, dan ontdek ik dat volgende week, samen met de kinderen. Ik kan niet alles voorbereiden. Dat hoeft ook niet. Uitproberen en ergens tegen aanlopen is ook een soort van voorbereiden: de voorbereiding voor de voorbereiding.

Wat houd ik van mijn vak!

Het idee en de werkelijkheid

Straks hebben we een open dag op de Vallei.

En dan ben ik altijd vreselijk benieuwd wat het is dat mensen zien.

Want het eerste dat je tegen komt op onze school is chaos. Meestal vrolijke chaos. Maar ook drukke, chaotische chaos, met hier en daar eilandjes van rust.

Pas als je daardoorheen kunt kijken zie je wat we werkelijk doen op deze school.

Of juist niet doen.

Veel mensen vinden onze aanpak prachtig. Ze zijn gecharmeerd van het concept natuurlijk leren.

Verliefd op een idee.

Maar wat ik me af vraag is of mensen wel snappen wat het in houdt als je ook echt gaat werken volgens dat idee.

Elja Daae schreef er ooit al een blog over, over verliefd zijn op een idee.

Besef je wat er allemaal bij dat idee hoort?

Wat het in houdt als je kinderen écht los laat?

Wat het in houdt als je écht steeds opnieuw op zoek blijft naar wat werkt?

Wat het in houdt om te accepteren wat er zich aan dient?

Klein voorbeeldje.

Gisteren kwam in de crea-ruimte binnen. Een paar meiden waren bezig bekertjes te vullen met afwasmiddel en verf, en waren daar druk mee aan de slag. Er kwam tussendoor ook nog wat verf op het papier.

Ik heb daar resoluut een einde aan gemaakt. De afspraak in de crea is dat je de spullen gebruikt waar ze voor bedoeld zijn.

En tegelijk ben ik me aan het afvragen of ik hiermee niet een heel gaaf experiment mee de grond in boor. Want diezelfde ochtend had ik in mijn kinderboekenweekoptreden als Einstein verteld dat je juist buiten de gebaande paden moet denken. We zeggen het wel: buiten de lijntjes kleuren, maar durven we het ook echt aan?

Niet alles kan zo maar, bij ons op school. We hebben afspraken. Allemaal samen met de leerlingen tot stand gekomen. En toch er zijn elke dag opnieuw situaties waarbij je je af vraagt wat slim is. En elke dag maken we beslissingen. Goede en foute.

En juist die foute mogen er ook zijn.

Want we kiezen er voor om geen zekerheden in te bouwen.

En dus gebeuren er elke dag dingen waarvan je achteraf had gewild dat het mooier was gegaan.

En dat blijft. We leren, en het wordt steeds mooier. Maar de fouten blijven.

Want die fouten komen van precies dezelfde plek waar al die verrassend mooie momenten vandaan komen. Momenten die je van zijn levensdagen nooit kunt plannen.

En daarom zijn ouders soms bezorgd. Omdat kinderen thuis komen met verhalen dat er vervelende dingen gebeuren, dat ze lessen missen, dat er niet aan de afspraken gehouden wordt.

Dingen die we hadden kunnen voorkomen als we alles meer in de hand zouden nemen.

Maar we gaan niet inzetten op voorkomen. Want daarmee perken we meer in dan ons lief is.

Het idee is prachtig.

De uitwerking betekent dat je ‘vieze kleren’ krijgt.
Dat er vervelende dingen gebeuren.
Dat we als begeleiders dingen missen.
Dat kinderen dingen missen.
Dat niet alle leermomenten ‘benut’ worden.

Dat hoort er bij. Dat hoort bij de keuze voor onze school.

Net zo als het er bij hoort dat ik, die even geen zin had in vieze kleren, een prachtexperiment de kiem in smoor. We gaan een ander moment kiezen om te ontdekken of verven met zeep mooie effecten op levert. Als dat zo is hebben we er een workshop bij.

Ik ben er intussen achter dat de werkelijkheid misschien wat ongetemder is dan het idee, maar ook vele malen mooier.

Ik vraag me af wat ze zien, die mensen die straks komen kijken op de open dag. Het idee, of de werkelijkheid. En wat vinden ze mooier?

Hoe mooie systemen waar je niet zonder kunt, toch een valkuil kunnen zijn

Ik wil zo veel.

Zo veel mooie dingen die ik voor me zie.
Zo veel dingen waarvan ik wil dat ze beter lopen.
Zo dingen die ik goed moet bijhouden.

Dat ik vergeet te genieten van wat er is.

Want als ik mijn kop leeg maak van al dat willen, dan zie ik het wel. Dat gebeurde dinsdag. Ik viel in op een dag dat ik normaal vrij ben, en had dus geen programma. Ik kwam binnen met het idee al die dingen die ik had laten liggen op te pakken, maar van dat plan bleef weinig over.

Dus ik dwaalde een beetje door school. Eerst onbevredigd, want al die onaffe dingen in mijn kop. Maar toen werd ik meegenomen in alles wat de kinderen om me heen deden.

Ik schreef het al eerder. Kinderen hebben een energie die je zomaar het NU in trekt. Het enige dat je hoeft te doen, is het laten gebeuren.

En dat deed ik.

Ik ben een betere leerkracht als ik BEN dan als ik DOE. (dat schreef ik hier al)

En nu de stap voor gevorderden:

Dit was een drukke week. Ik ben er niet aan toegekomen om ons leerlingvolgsysteem (Spectrovita) in te vullen. Daar zet ik elke dag de bijzondere dingen in die ik met de kinderen meemaak.

(Ik blog dus wel iedere dag. Elke dag zo’n tien miniblogjes. Maar jullie krijgen dat nooit te lezen.)

Gisteren was ik naar Zeeland, om de eerste exemplaren van Kobe te zien en te tekenen. (We versturen ze nog even niet, want de meeste exemplaren waren een misdruk. 16 oktober is de boekpresentatie in Wijchen, daar willen we de goede exemplaren voor gebruiken.)

Dus nu, zondag, ga ik zitten om Spectrovita in te gaan vullen.

En nu komt het ZIJN voor gevorderden.

Ik doe het niet.

Spectrovita invullen.

Punt. ¹

Pech voor de inspectie die straks komt, en waarvoor het beter is dat ik het er wel in zet.

Pech voor de ouders die mee lezen, en zo kunnen meegenieten van wat er op school gebeurt.

Niet zo’n pech voor de leerlingen zelf. Ze waren er zelf bij.

Ik doe het heel bewust NIET.

Want ik wil niet dat het invullen van spectrovita een kunstje gaat worden, een graadmeter voor mijn begeleiding.

Ik gebruik het nu wel als hulpmiddel om te zien welke kinderen ik vaak zie, en welke kinderen minder. Ik gebruik het omdat ik kan terugkijken, en daardoor de ontwikkeling van de kinderen kan zien.

Maar het moet geen scorebord gaan worden. Want dan gaat het een eigen leven leiden.

Wat ik nu ga doen is niet afgelopen week opschrijven, maar koesteren.

Ik ga één moment met jullie delen. Het moment dat ik tranen in mijn ogen kreeg. De onthulling van het bordje.

Het was feestweek. De Vallei bestaat 10 jaar.

Bij de onthulling van het bordje op het plein besefte ik wat dat voor Maaike moest betekenen (en voor al diegenen die er al langer bij zijn). Tien jaar geleden met zes kinderen in een huiskamer een school beginnen. Het voor je zien. Dwars tegen alles in doorzetten omdat je er in gelooft. En nu een prachtig schoolgebouw en 152 kinderen.

Poeh!

IMG_20150925_190055

 

 

¹

Een ouder vroeg bezorgd of ik nu helemaal stopte met schrijven in Spectrovita. Nee, gelukkig niet. Alleen de momenten van deze drukke week, die ik had willen noteren, die zitten nu dus niet in het systeem. (Wel in ons hart)

je wordt het meest verrast door de dingen die je al weet

Mijn les mislukte.

Ik wilde met kinderen games maken. En dan niet, zoals tot nu toe gebeurde, een leveltje bouwen in een bestaand programma. Maar echt. Met gamemaker. Behoorlijk pittig. Niet direct resultaat. Dus kinderen moeten echt willen doorbijten.

Er waren te veel kinderen. Te weinig computers. Te veel niveauverschil. En de techniek haperde te veel.

Ik wist het al.

Dat je van fouten kunt leren.

Ik had het zo vaak gehoord, dat ik me ging ergeren aan die kreet.  (En al die andere). Want het zelf meemaken is andere koek. Zeker als het vaker gebeurt.

En toch is dat het enige dat helpt.

Vaker mislukken.

Want die eerste keer is de wetenschap dat je er van leert een doekje voor het bloeden.

De tweede keer is het gevoel bitterzoet. De pijn is minder, maar nog voelbaar.

Gisteren mislukte ik een flink stuk luchtiger. De pijn is aan het transformeren. Ik kan nu al voelen dat ik straks kan gaan genieten van mijn mislukkingen.

Meer dan ooit weet ik nu hoe belangrijk het is dat we mislukkingen vieren. Ik weet het niet alleen, ik voel het tot in mijn botten.

Die mislukte les is zo ontzettend nodig geweest. Ik weet nu hoe ik verder kan. Drie kinderen zijn enthousiast.

Er hadden zich 20 kinderen opgegeven. Dus ik had ook kunnen concluderen dat ik 17 kinderen teleurgesteld heb.

Maar ik weet dat die drie straks andere kinderen de streep over gaan trekken. Ik weet ook dat ik ga ontdekken wat de andere kinderen nodig hebben. Kinderen waarvoor dit nog nét een stap te ver is.

Als dit 10 jaar geleden was gebeurd, in mijn stage op de Pabo, dan had ik mijn ideeën in de hoek gesmeten. Dan had ik geknikt als een begeleider gezegd had dat de leerlingen hier nog niet aan toe zijn. Leuk geprobeerd, maar houd je nu maar aan de standaard lesmethoden.

Sterker nog. Het ís me 10 jaar geleden gebeurd. Ik heb niet alleen mijn ideeën in de hoek gegooid. Ik heb het hele leraarschap zelfs opgegeven.

Weten we wel wat we elkaar aan doen met onze beelden over wat goed en fout is? Over wat succes is en wat niet? Over cijfers en slagen?

Het lijkt zo’n dooddoener: van fouten leer je. Maar er zitten zó veel diepere lagen in dat ene zinnetje.

Je wordt het meest verrast door de dingen die je al weet. Als je verder durft te kijken dan wat je weet.

 

 

Het groene lampje van de leraar

“Daar is de hamer niet voor bedoeld”
“Wie heeft die spijkers over de grond gegooid?”
“Waarom is de lijmtang niet opgeruimd?”
“Je hebt veeeeel minder verf nodig!”
“Kom eens even terug, eerst opruimen voor je iets anders doet!”

Ik was het even kwijt gisteren. Niet alleen de gereedschappen, en de spijkers, maar mijn groene lampje.

Die naam ‘groen lampje hoorde ik die zelfde avond van Mark Mieras op de Nivoz onderwijslezing. En het bracht me direct weer terug.

Dát is wat ik miste, donderdag.

Ik had me voorgenomen wat meer structuur aan te brengen in onze Crea ruimte. Dat is nodig. Er is nu te veel chaos. We moeten allemaal wennen in het nieuwe gebouw, met veel meer kinderen.

Die structuur,dat was geen verkeerd plan. Maar ergens ging het fout in mijn hoofd. Ergens liet ik me leiden door een idee buiten mezelf. Een idee hoe het hoort, hoe het zou moeten.  En ik werd gefrustreerd door het verschil tussen dat ideaalplaatje, en de situatie zoals ik die zag.

Er ontstond een “het móet anders”, in mijn hoofd, in plaats van een “Ik wil het anders.”

Mijn kracht was weg. Mijn accepteren van wat er is, en van daaruit verder werken.

Niks accepteren.  Hier met die hamer potdikkie! Die is niet bedoeld voor schroeven!

Die kracht is het groene lampje.

Er zijn drie systemen:
– het rode systeem is het vlucht/vecht systeem
– het gele systeem is bevriezen/apathisch worden
– het groene systeem is de humor er van in kunnen zien, de vrijheid voelen te spelen met wat zich aan dient, fouten durven maken.

Kinderen leren alleen als het groene lampje brandt.  En als bij de leraar het groene lampje niet brandt, dan is het voor de kinderen moeilijk om het knopje te vinden. En andersom:  het groene lampje bij de leraar werkt aanstekelijk.

Luisterend in het Maitland theater in Driebergen, wist ik het. Ik was mijn plezier vergeten, die dag.

IMG_20150910_194518660

En vandaag, vrijdag, was hij terug, mijn plezier.

Zou dat komen omdat ik vandaag opstartte met de kleuters?

Hoe dan ook, ik liep de crea ruimte binnen, en zag een meisje bezig met een stoel. Ze beplakte de zitting en rugleuning met allemaal stukjes stof, met een pritstift.

“Ho! Dat is niet de bedoeling!”, zei een stem in mij.
“Goh, wat een leuk idee”, zei een andere stem.

Ik luisterde naar de tweedestem, en ben er bij gaan zitten. Ik heb gezegd dat ik het een mooi idee vond. Daarna vroeg ik me hardop af hoe het zou gaan als de lijm droog is, of alles wel blijft zitten. Of je de stoel ook nog als stoel kunt gebruiken. En als dat niet zo is, dat het misschien een leuk plan is om in de schoolvergadering te vragen of ze de stoel zo mag versieren dat het ook echt goed blijft zitten. Geen idee hoe, maar dat vinden we wel uit.

Hij staat dus nu te drogen. Volgende week kijken we of hij zo te gebruiken is.

stoelkunst

En ik ben heel blij dat mijn plezier terug is. Dat ik naar de tweede stem heb kunnen luisteren.

De rommel is daarmee niet opgelost. Daar hebben we nog wel even wat werk aan, maar wat mij betreft niet meer vanuit frustratie, maar vanuit acceptatie van wat er is, en vanuit hoe ik en de kinderen het willen, en niet vanuit wat er moet. Een aantal van die teksten waar ik dit blog mee begon, zou ik weer kunnen zeggen, maar dan met een hele andere lading.

 

 

NASCHRIFT (maart 2016)

 

Er was heel veel gedoe voor nodig om uiteindelijk mét de kinderen te komen tot een oplossing in de crea:

Lees dit blog daarover

Waarom ik trots ben op mijn vuile broeken

“Wéér een broek die ik niet meer aan kan”, denk ik als ik naar de vlekken kijk die er in de wasmachine niet zijn uitgegaan.

Vooral op mijn knieën.

Maar ik kan die broeken eigenlijk best aan. Want ik kom niet meer zo veel op plaatsen waar ik afgerekend wordt op mijn uiterlijk.

En bovendien, het zijn geuzenvlekken, opgelopen in gesprekken met kinderen.

Geprekken?

Ja gesprekken.

Kijk, ik hoor niet zo geweldig. En die kinderen zijn vaak te ver weg bij mijn oren.

Dus ga ik door de knieën voor ze. Letterlijk, niet figuurlijk.

Mijn evenwichtsorgaan is ook niet meer helemaal lekker. Dus hurken is te wiebelig.

Dus zit ik vaak op mijn knieën, of gewoon op mijn kont. Ter plekke, ook als de vloer niet helemaal schoon is.

Mooie gesprekken heb ik dan. Want we zijn op het zelfde niveau, de kinderen en ik. En dat dan wel letterlijk én figuurlijk.

 

P.S.  Steun Kobe.

Schrijf elke dag 3 dingen op waar je gelukkig van wordt

Geleefd worden.

Maar dan op een leuke manier.

Want je kunt wel leuke plannen hebben, maar op een schooldag loopt alles toch weer anders.

Het past wel bij mij, reageren op wat er is.

Soms lijkt een dag heel onbeduidend. Geen ‘moet je nou eens horen’ gebeurtenissen. En toch, als je terug kijkt. Vele mooie contacten.

We hebben gelukkig een fijn leerlingvolgsysteem. Een dagboek waar we die momenten in kunnen zetten.

Schrijf elke dag drie dingen op waar je gelukkig van wordt, las ik net in een maak-je-leven-mooier blog. Ik hoef alleen maar elke dag dat leerlingvolgsysteem in te vullen dus.